zaterdag 10 juli 2010

De Finale

Hét weekend van dé finale is aangebroken. Gelukkig tegen de Spanjaarden en niet tegen de Duitsers. Ik heb me sterk verbaasd over het valse sentiment dat er kennelijk nog steeds heerst tegen de Duitsers als het om voetbal gaat. Het merendeel van de mensen om mij heen die een sterke voorkeur voor Duitsland hadden in de finale, om de rekening van 1974 te vereffenen, was er nog niet eens in 1974. Uiteindelijk maakt het niets uit tegen wie je wereldkampioen wordt. Als je het maar wordt. En dan mag het zelfs met lelijk voetbal in een finale tegen een lelijke tegenstander als bijvoorbeeld Noord-Korea met de huilende Jong Tae-se in de spits. Noord-Korea dat overigens in het Engels wordt vertaald met Democratic People's Republic of Korea. Goed gevoel voor cynisme had de persoon die deze naam bedacht.
Voor mij is dé finale overigens al gespeeld. En wel op 25 juni 1988. Precies, de wedstrijd tegen de USSR tijdens het Europees Kampioenschap in het toenmalige West-Duitsland.
Ik was net twaalf en had die dag over het wad gelopen en gewaad van Lauwersoog naar Schiermonnikoog. Het water van de Waddenzee was steenkoud waardoor ik hele stukken vechtend tegen de tranen bij mijn vader op zijn nek heb gezeten.
In een café op Schiermonnikoog zag ik Gullit, zag ik Van Basten en hoorde ik Theo Reitsma zeggen dat het 'een goed stel is'. Maar wat mij het meest is bijgebleven van die finale is dat ik onbeperkt cola mocht drinken. Nooit heb ik meer cola gedronken dan tijdens die finale.
De dag erna liep ik met een vriendje door de buurt. Ik had van een stijve, veel te vaak gewassen en daardoor vaal geworden oranje handdoek een cape gemaakt en vierde de overwinning van het Nederlands Elftal. We waren kampioen maar nog meer dan dat had ik de dag ervoor ongelooflijk veel cola mogen drinken van mijn vader.
Zelf denk ik dat Spanje morgen gaat winnen. Ook voor mijn positie in de voetbalpoule zou dit geweldig zijn maar toch hoop ik op Nederland. Omdat ik ieder jongetje van twaalf het gun om voor een keer in zijn leven het idee te hebben dat alles mag en alles kan tijdens de finale van een groot voetbaltoernooi.

donderdag 8 juli 2010

Beesies


Op de voorpagina van het Haarlems Dagblad stond afgelopen maandag een opvallend bericht. Tussen alle wereldellende door werd bericht dat Albert Heijn zijn klanten oproept om na het WK de Beesies weer terug naar de winkel te brengen zodat deze pluizige allemansvriendjes een tweede leven kunnen krijgen.
Albert Heijn dacht er bijvoorbeeld aan om ze naar ontwikkelingslanden te sturen.
Fantastisch idee.

Het doet me denken aan de mevrouw die tijdens de nasleep van de ramp op Haïti allerlei DVD's naar dat land opstuurde maar zich even niet realiseerde dat daar ook de televisietoestellen onder het puin lagen.
Ik kan me zo voorstellen dat de kinderen in de ontwikkelingslanden en déja-vu krijgen als ze weer met de Beesies in hun handen staan en denken: 'He, daar waren we toch net vanaf, van die niesopwekkende, net iets te fel gekleurde ondingen? De blaren op mijn vingers zijn net weer een beetje hersteld!'
Het is natuurlijk een prachtig idee van Albert Heijn om iets naar deze landen te sturen maar volgens mij hebben ze winkels vol producten waar de bevolking blijer mee is dan met een Beesie.
Want wat moet je ermee? Het Beesie vastbinden aan de haak van een hengel en dan gaan vliegvissen boven een woestijn? Of het tegen beter weten in toch maar proberen op te eten met een fluorescerende haarbal als gevolg?
Een beetje potsierlijk is het wel wanneer je na het WK je Beesie terug gaat brengen onder het mom van 'we hebben er nu niets meer aan, misschien kunnen ze er in Afrika iets mee.'
Overigens blijft het in politiek Den Haag wel erg stil. Zeker van een partij, sorry beweging, als de PVV had ik wel kamervragen in een spoeddebat verwacht. Zij zijn toch tegen ontwikkelingshulp? Of zou zelfs de PVV begrijpen dat de actie van Albert Heijn meer lijkt op een treurige, decadente grap dan op een goedbedoeld gekleurd verzetje voor die arme kinderen in de armste landen?

vrijdag 25 juni 2010

Trendwatcher

Het beroep van trendwatcher lijkt mij een vermoeiend beroep. Temeer omdat het volgens mij een volstrekt overbodig beroep is. Net als stylist van de sterren. Ook zo treurig. Maar dat terzijde.
Trendwatchers zie je echter steeds meer. Het worden haast bekende Nederlanders. Het zijn allemaal heel verschillende types en gekleed volgens de laatste door hun gewatchte trends maar wat ze overeenkomstig hebben is dat ze het liefst met een I Pad op de foto gaan. In de Vara gids van deze week staat ook weer een man die van het watchen van trends zijn beroep heeft gemaakt.
Als trendwatcher heb je als voornaamste taak om de nieuwste trends te signaleren en ze bij het grote publiek bekend te maken. Het grote publiek dat tegenwoordig luistert naar namen als Henk en Ingrid.
Het trieste is dat wanneer een trend wordt gepubliceerd in een of ander nietszeggend blad het of al geen trend meer is want reeds vergeten, of het inmiddels is ingeburgerd in de maatschappij en derhalve ook geen trend meer is. Als trendwatcher loop je eerder achter de feiten aan dan voor de troepen uit.
Afgelopen woensdag zat ik op een strandje in de buurt van Haarlem. Ik signaleerde twee trends onder de Haarlemse jeugd die daar aanwezig was.
De eerste was het veelvuldig gebruik van het woord 'kanker'. Niet zo heel sympathiek. Zeker niet als dit gaat in combinatie met het woord 'homo of 'hoer'. Jammer is dat.
Een tweede trend die ik zag was het 'ik-ben-een-jongen-tussen-de-veertien-en-de-negentien-en-draag-mijn-boxershort-onder-mijn-zwembroek-maar-dan-wel-zo-dat-je-het-merk-van-mijn-boxershort-namelijk-Bjorn-Borg-goed-kan-lezen' type. Ook een rare trend. Misschien is er tussen mij en de jeugd nu een definitieve kloof geslagen. Zou kunnen.
Toen bedacht ik me dat ik deze trend al eerder had gezien. Ook vorig jaar liepen jonge pubers met de elastiekband van hun boxershort hoog opgetrokken boven hun zwembroek.
De trend is een hype geworden.
Net zoals de hausse aan trendwatchers een hype begint te worden. Helaas.

maandag 14 juni 2010

Vuvuzela

Eerlijk is eerlijk. Ik ben geen fan van de vuvuzela, de toeter wiens geluid als een bijenzwerm door de stadions in Zuid-Afrika trekt op dit moment.
Bij de NOS gaat men proberen het achtergrondgeluid wat te dempen zodat het bijengezoem afneemt tot het volume van een handjevol muggen. Er schijnt ongelooflijk veel over te worden geklaagd bij de omroep.
Ook in Zuid-Afrika is de kritiek inmiddels doorgedrongen en de voorzitter van het organiserend comité, Danny Jordaan, gaat nu kijken of er een verbod op kan komen.
De voetbalcultuur van het gastland wordt hiermee de nek omgedraaid en de identiteit van het Zuid-Afrikaanse voetbal wordt zo weggenomen. De vuvuzela hoort bij Afrika zoals de man met de bos wortels op zijn hoofd bij Nederland hoort en de samba bij Brazilië. Zoals bier bij Engeland hoort en eindeloos verdedigen bij Italië. Daar kan je fan van zijn of niet maar ik vind het veel te ver gaan om te toeschouwers daar, die zo trots zijn op de organisatie van het WK in hun land en op hun continent, hun luidruchtige symbool, hun vuvuzela te ontnemen. Op deze manier blijven we, weliswaar op micro-micro niveau Afrika nog steeds onze wil opleggen.
Trouwens, de commercie hier in Nederland heeft maar al te handig gebruik gemaakt van de Afrikaanse toeter want meer dan eens word ik opgeschrikt door het lawaai ervan.
Ik zeg, even doorbijten. Laat de Afrikanen op hun manier genieten van het mooiste toernooi van de wereld en laat ze trots zijn op de organisatie ervan.
Over vier jaar is het WK in Brazilië. Dan kunnen we weer vrolijk aan de samba!

zaterdag 12 juni 2010

Sous le ciel de Paris

Onder de Parijse hemel.
Maar dan in Haarlem.
Op de brug die de Kruisstraat over de Nieuwe Gracht brengt zit bij goed weer altijd een vrouw accordeon te spelen.
Haar repertoire is beperkt. Zeer beperkt. Het heeft zich beperkt tot één lied en daar dan weer één refrein van: Sous le ciel de Paris geschreven door twee voor mij volledig onbekende Fransen maar wereldberoemd geworden door de uitvoering van Edith Piaf.
Het refrein speelt de vrouw niet zoals het gespeeld moet worden. Er zit een raar hupje in haar versie van het lied.
Zojuist, na het boodschappen doen, stond de wind zo dat ik haar verwoede pogingen tot het spelen van dat ene refrein honderden meters verder nog kon horen. De klanken achtervolgden mij en haalden me in via het water van de gracht tot ze uiteindelijk in het Spaarne werden gesmoord.
En toen, toen keek ik omhoog. En waande me zowaar even in Parijs. Onder de Parijse hemel. Dicht bij mijn familie; mijn zus en zwager en mijn prachtige neefje en nichtje. Het was een kort moment, niet langer dan een paar tellen, maar het was er één!
Terwijl ik de bocht omliep en de accordeon niet meer hoorde speelde het deuntje zich af in mijn hoofd. Langzaam kreeg het de originele melodielijn weer terug en kwamen er wat voorzichtige coupletten bij.
Sous le ciel de Paris.
Maar dan in Haarlem.

zondag 30 mei 2010

Terug uit de Bubbel

Sinds gisteren ben ik weer vrij man. Een kleine vijf dagen zat ik samen met Arie Koomen en Richard Groenendijk in een villa aan de rand van Lisse die, voor de geïnteresseerden, te koop staat voor maar 3.4 miljoen Euro.
Vijf dagen lang geen telefoon, geen Internet, geen e-mail, geen tv of radio en het was heerlijk. De rolverdeling in het huis was vrij snel helder. Richard kookte. Arie en ik voetbalden. Ideaal.
Zittend op ons terras zag ik in de verte autootjes rijden in de wetenschap dat de bestuurders daarvan meer van het nieuws wisten dan ik. Als zelfuitgeroepen nieuws-a-holic leek me dat een vreselijk idee maar het is heerlijk!
Door de afwezigheid van allerlei vormen van media verdiepten de gesprekken zich al snel. Als ik even geen zin had in gezelschap kon ik gaan wandelen in het bos van zeven hectare of me terug trekken op mijn kamer die net zo groot was als mijn eigen appartement.
In het huis heb ik me voorgenomen om ook in de 'echte' wereld het qua nieuws maar eens wat rustiger aan te doen. Teveel nieuwsinformatie maakt mij althans niet gelukkiger want de rust die er in de Bubbel hing, en mede werd gecreëerd door de afwezigheid van eerder genoemde media, doet mij goed.
Gisteren tijdens de opnames voor de uitzending van vanavond hoorden we voor het eerst dat Jan Smit vader wordt, Marc-Marie naar SBS6 gaat en JPB (waar is Jack de Vries als je hem nodig hebt?!) onhandig liep te flirten met een dame van RTL4. Ik kan oprecht zeggen dat ik het niet gemist heb.

woensdag 19 mei 2010

De Bubbel

Vanaf aanstaande dinsdag laat ik mijzelf vijf dagen vrijwillig opsluiten in De Bubbel. Geen echte natuurlijk. Dat kan niet. De Bubbel is een landhuis ergens in den lande waar ik samen met twee anderen vijf lange dagen verstoken ben van het nieuws. Er is geen toegang tot de actualiteit in welke vorm dan ook. Tenzij er op het terrein waar De Bubbel staat natuurlijk een vliegtuig crasht of een ander nieuwsfeit plaatsvindt maar het feit dat De Bubbel in de buurt van Lisse staat maakt dit risico aanmerkelijk kleiner.
Oorspronkelijk is het een Israëlisch programmaformat wat daar geweldig aanslaat. Geen wonder. De dag dat er niet iets naars gebeurd in het Beloofde Land is het pas echt nieuws.
Wat te doen in vijf nieuwsloze dagen? We hebben geen toegang tot het nieuws maar ook niet tot datgene wat ons eventueel op de hoogte kan doen brengen van het wel een wee in de wereld. Geen tv, geen radio, geen mobiel, geen e-mail, geen internet; helemaal niets.
Dat wordt dus lezen. En lezen. En ik denk lezen. Niet zomaar iets lezen. Nee. Boeken. Want ook kranten en tijdschriften zijn uit den boze.
Lezen en schrijven. Ik ga proberen in De Bubbel het kinderboek af te schrijven waar ik jaren geleden mee ben begonnen. Moet lukken. Tijd genoeg.
Toen ik net tijdens mijn wekelijkse badmintonavond zei dat ik er volgende week niet was vanwege mijn aanwezigheid in De Bubbel antwoordde een zwetende man dat aan dat programma toch alleen maar BN'ers mee doen. Ik bleef even stil. Hij had gelijk. Nou ja, bijna gelijk. BN'ers en ik dus.



vrijdag 23 april 2010

Watjes

De onderbuik van Nederland spot vliegtuigen op een zonnige vrijdagmiddag. Althans op de spottersplek waar ik stond. Ik was via geurige bloemenvelden vol hyacinten en dwars door het polderland gefietst om eens mee te maken wat dat nou is, dat vliegtuigspotten.
Eerlijk gezegd had ik gehoopt daar de mannen aan te treffen die je vaak op tv ziet als het over vliegtuigspotten gaat. Mannen die alles weten van alle vliegtuigen en alle maatschappijen en die ook precies weten of de kisten wel op tijd de lucht in gaan. Die mannen trof ik daar niet aan.
Wel een Frans gezin met drie kinderen waarvan de jongste tijdens het voeren van een potje Olvarit plots door zijn vader werd opgetild om aan aanstormend vliegtuig te kunnen zien. Het kind van nog geen jaar had werkelijk geen enkele interesse voor het straalvliegtuig. Des te meer voor dat overheerlijke potje eten dat naast zijn moeder op hem stond te wachten.
Naast de Fransen waren er twee Limburgers, een postbode die naar eigen zeggen anderhalf uur te vroeg was en daarom wel even wat vliegtuigjes kon zien en een aantal onderbuiken.
Terwijl het ene na het andere vliegtuig voorbij stoof namen de mannen de stand van het land door. De conclusie was kort en bondig; we zijn allemaal te slap en te soft, ergo, het hele land zit vol met watjes.
De klaagzang donderde door terwijl er een Boeing 747 op honderd meter voorbij denderde. Voor de niet-spotters onder ons; dat is een flinke. De mannen keken niet op of om want ze zaten te diep in hun eigen verhaal en ellende gedoken om het technologisch wonder voorbij te zien schieten. Misschien hadden ze wel een beetje gelijk want als zelfs een voorbij razende 747 je niet meer doet opkijken is er wellicht toch iets aan de hand.



vrijdag 16 april 2010

Heerlijk. Badminton

Na een korte pauze van zestien jaar heb ik het badminton weer opgepikt. Heel fijn, ontspannen en rustig op de woensdagavond in Haarlem-Noord. Voor mij dan.
Afgelopen woensdag werd mijn aandacht getrokken door een baan waar een mannendubbel werd gespeeld. Een van de spelers had een shirt aan in twee verschillende grijstinten. Zo leek het althans. Bij nader onderzoek bleek de bovenste helft van het shirt donkergrijs te zijn door de liters zweet die zich daar hadden opgeslagen. Het trof mij dat niet het hele shirt doorweekt was.
Het shirt van de man, die ik in een sympathieke bui begin veertig schat maar eruit zag als iemand van achter in de vijftig, was niet de aanleiding van mijn aandacht voor het spelletje tussen de vier heren.
Mijn aandacht werd getrokken door een wild gescheld tussen de mannen van middelbare leeftijd. De grande finale werd ingeleid door het krachtig weggooien van een racket en werd besloten door een speler die woest, en verwensingen gillend, richting de kleedkamer beende.
Ik maakte een stap terug in de tijd. Een stap van ruim zestien jaar en ik bevond mij in de sporthal waar ik het spelletje heb geleerd. We speelden een competitiewedstrijd en mijn temperament mondde uit in een fikse scheldpartij. Zo hevig dat mijn vader zich daarna niet meer op de, toch al slecht gevulde, tribune liet zien. Logisch. Er zijn betere bestedingen van een zaterdagmiddag dan met buikpijn te moeten kijken naar een roder wordende puber die ook nog eens je zoon is.
Jaren na dit incident ben ik met squash begonnen en ook daar moesten drie rackets het ontgelden tegen de betonnen muur.
Kijkend naar de vroege vijftigers in Haarlem kwam het besef dat ik daar nu hopelijk toch echt te oud voor ben geworden.

vrijdag 9 april 2010

Elektra

Deze tekst wordt geboren in een kleedkamertje van jeugdcentrum Elektra in Sliedrecht. Vanavond mijn kleinkunstvoorstelling gespeeld in dit prachtige Sliedrecht.
Heerlijk mondig publiek.
Dat bleek wel toen de act na mij opkwam en ik vanuit de zaal hoorde: ’T is nu al leuker dan de vorige…’
Op het podium waar ik mijn peentjes zweette staan normaal bandjes te spelen. Dat werd duidelijk uit de subtiele en sympathieke teksten die her en der op de muur stonden geschreven.
Teksten als: ‘De drummer van Iron Maiden heeft geen neus’.
Maar het kan nog mooier want qua poëzie werd deze frase nog overtroffen door de kreet: ‘ Bonje Kolonje by Fred au de Toilet’.
Prachtig.
Tranentrekkend wordt het pas met de zin: ‘Oma gaat naar de disco, Jopie is Goed!’
Verder stond er minstens driehonderd keer het woord ‘neuken’ of een grammaticale vervoeging daarvan. Om het een en ander met beelden te onderbouwen waren er een kleine zestig fallussen getekend.
Hoe verder dit schrijven vordert hoe dichterbij het moment komt dat ik, door de zaal met licht beschonken gasten, het pand ga verlaten. Ik hoop dat ik ze alle achttien van me af kan houden.
En dan, om de filosoof Gordon te citeren, met gillende banden naar huis!