donderdag 30 mei 2013

Le Géant de Provence

Dertien dagen geleden maakte ik me in het Franse Bédoin op voor de beklimming per fiets van de Mont Ventoux.  Le Géant de Provence, de Reus van de Provence. Om de enorme berg, eenzaam gelegen zonder prehistorische wolkenkrabbers om zich heen, hangt een welhaast mythische mist. Letterlijk en figuurlijk. De top ligt vaker in de wolken dan dat hij ze wegkust. Vlak onder de top, als de bomen het hebben opgegeven en de weg over de berg kaal en kleikleurig omhoog slingert, staat het monument voor de overleden wielrenner Tom Simpson. Halverwege de jaren zestig werd de coureur, overmand door de totale uitputting, door omstanders van zijn fiets getild omdat hij er even later dood van af zou zijn gevallen. De dood konden de toeschouwers niet meer stoppen. Hij was al in hun midden en hoefde alleen nog maar bij de fietser neer te knielen. Omringd door een aureool van wielerliefhebbers stierf de Brit en maakte van de Mont Ventoux en van zichzelf een legende.

Voor aanvang van de klim werden we gewaarschuwd voor de weersomstandigheden. Heel in de verte kwam een donker dekbed door de hemel aandrijven maar de top van de berg zelf was vanuit Bédoin goed te zien. De ruim 21 kilometer lange klim begon relatief gemakkelijk. Na vier kilometers door open velden vol klaprozen te hebben gefietst maakt de weg een scherpe bocht naar links en doemde Het Bos op. Het Bos is een grote slapende sluipmoordenaar met een lengte van twaalf kilometer en een stijgingspercentage dat niet onder de negen procent uitkomt. De moordenaar kan elk moment wakker worden en het is zaak om rustig op je fiets te blijven zitten en in stilte te stijgen. Elke kilometer die je dichter bij de top komt wordt gemarkeerd met een paaltje waarop de nog af te leggen afstand staat samen met het stijgingspercentage van de komende kilometer. Met de kilometerpaatjes als stille getuigen heb ik in Het Bos een aantal keer overwogen om af te stappen. Het was te zwaar, te lang, te uitzichtloos ook. Achter elke bocht doemde een nieuwe strook asfalt op. Even genadeloos als de vorige en minstens zo lang ook. Na een kilometer of zes in Het Bos had ik een tempo te pakken. Het was veel langzamer dan ik beoogd had maar dat was op niets gebaseerd. Nooit eerder beklom ik een berg waardoor een gemiddelde van tien kilometer per uur een idylle bleek te zijn. In een fors wandeltempo herpakte ik mezelf en naderde de kruinen van de loofbomen. Met elke meter die ik klom daalde de temperatuur.
Op zes kilometer onder de top, als de contouren van het beroemde Chalet Reynard zichtbaar worden, neem je de sprong van de aarde naar de maan. De alles vernietigende wind die om de berg heen raast heeft boven de boomgrens de berg kaal geslagen tot een maanlandschap.  In de verte doemde de top al op. Ik was ervoor gewaarschuwd; de top zien betekent niet dat je er ook al bijna bent. Halverwege de maan, tussen de aarde en de top, begon het te sneeuwen. Voorzichtige vlokken verkenden de omgeving waarin ik reed. Nadat de vooruitgeschoven troepen het signaal hadden doorgegeven dat de kust veilig was scheurde het grijze dekbed boven mijn hoofd los en liet haar witte vlokken eindelijk los. Het zicht was inmiddels teruggebracht tot niet meer dan twintig meter. Om mij heen veranderde de flanken van de berg in grote witte bladzijden waarop ik mijn verhaal aan het schrijven was. Mijn verhaal dat met een later invallende dooi zou wegsmelten maar waarvan de blauwdruk voor altijd in mijn hoofd gegrift staat.

Rechts van mij ontwaarde ik het monument voor Tom Simpson. Met nog 800 meter te gaan was hij gestrand. Ik fietste door. Met mijn mond geopend en een oog gesloten tegen de sneeuw ploegde ik voort op een weg die gladder en gladder werd.
De allerlaatste bocht. Vanuit mijn ooghoeken zag ik, in een wereld waarin alles om mij heen bewoog,  het weerstation met de rood-witte mast er bovenop als baken van rust. Het laatste stuk, de finale veertig meter kon ik niet meer fietsen. IJs en sneeuw maakten van de weg een decor waar de banden van mijn racefiets zich geen raad mee wisten. Het laatste stuk legde ik lopend af. Ik parkeerde mijn fiets tegen het gebouw op de top, maakte een foto van mezelf en het paaltje welke aangaf dat ik op de top stond, en zocht een warm heenkomen. In het winkeltje op de top zag ik mijn blote benen steeds roder kleuren terwijl het gevoel in mijn vingers weer langzaam richting de vingertoppen kroop. Ik trof er een andere wielrenner. Ook aangedaan door het natuurgeweld maar nog helder genoeg om enkele souvenirs in te slaan. Zelf had ik geen geld bij me. De fietser, een Vlaming, was zo vriendelijk om voor mij een blikje cola te kopen. De top van de Mont Ventoux verbroedert. Zeker bij het soort weer waarin je het alleen niet redt.

De afdaling, nadat de sneeuwstorm was gaan liggen, voelde aan als een achtbaanrit door een reuzevrieskist. Lopend waar het moest en fietsend waar het kon, bibberde ik me een weg naar beneden. Naar het chalet. Naar de warmte.
Ik was op de top geweest. Op het dak van de Provence. Alle beelden boven waren in zwart en wit. En grijs, heel veel grijs. Langzaam kwamen de kleuren weer terug. In mij en om mij heen. Geen seconde heb ik het idee gehad dat ik de berg bedwongen had. Nee, de berg heeft het mij toegestaan om op de top te komen. En ze heeft me daarmee een ervaring gegeven die ik nooit meer zal vergeten.

woensdag 29 mei 2013

De mannenknot

Waar komen ze ineens vandaan? Elke dag worden het er meer en voorlopig lijkt het einde nog niet in zicht. Ik heb het over de mannenknot. Het stuk opgerold haar op de achterzijde van het hoofd. Het straatbeeld ziet er zwart van. Maar waar komen ze nou ineens allemaal vandaan? De geknotte mannen hebben niet van de een op de andere dag lang haar. Dat gaat, bij mij in ieder geval, niet zo rap. Sterker nog, na een maand of wat word ik het altijd zo zat dat ik weer een sprintje naar de kapper trek. De mannen met knotten zijn niet alleen gezegend met haar tot op de schouders maar meestal ook met volle baarden. Nog zo’n utopie voor mij. Dus ja, om de angel maar meteen uit de eventuele kritiek te halen; misschien is het wel de kift.

Maar dan nog. Opeens zijn ze er. Hebben de mannen gezamenlijk in een leegstaand warenhuis zitten afwachten tot hoofd- en baardharen lang genoeg waren om er mee naar buiten te treden? Of, beter nog, in een Limburgse mergelgrot? Gaf de man met het langste haar het startschot om naar buiten te treden met de lange manen nonchalant tot een knot gewikkeld?
Heel hip ziet het er uit. In 9 van de 10 gevallen wordt de styling vervolmaakt door er een broek bij te dragen die zo strak zit dat je er wat hoger door gaat praten en door een sjaal die losjes om de nek heen wordt gedrapeerd. Logisch natuurlijk want als je gewend bent om een vacht in je nek te dragen is het even wennen als je de vacht terugbrengt tot bolletje wol achter op het hoofd.

Gisteren werd in een artikel in NRC Next een link gelegd tussen deze zogenaamde hipsters en het populisme. Van beide hoop ik dat het van voorbijgaande aard is. Zodat ik, met kort haar en een matige baardgroei, weer kan toetreden tot het mondaine leven in de randstad.