vrijdag 23 april 2010

Watjes

De onderbuik van Nederland spot vliegtuigen op een zonnige vrijdagmiddag. Althans op de spottersplek waar ik stond. Ik was via geurige bloemenvelden vol hyacinten en dwars door het polderland gefietst om eens mee te maken wat dat nou is, dat vliegtuigspotten.
Eerlijk gezegd had ik gehoopt daar de mannen aan te treffen die je vaak op tv ziet als het over vliegtuigspotten gaat. Mannen die alles weten van alle vliegtuigen en alle maatschappijen en die ook precies weten of de kisten wel op tijd de lucht in gaan. Die mannen trof ik daar niet aan.
Wel een Frans gezin met drie kinderen waarvan de jongste tijdens het voeren van een potje Olvarit plots door zijn vader werd opgetild om aan aanstormend vliegtuig te kunnen zien. Het kind van nog geen jaar had werkelijk geen enkele interesse voor het straalvliegtuig. Des te meer voor dat overheerlijke potje eten dat naast zijn moeder op hem stond te wachten.
Naast de Fransen waren er twee Limburgers, een postbode die naar eigen zeggen anderhalf uur te vroeg was en daarom wel even wat vliegtuigjes kon zien en een aantal onderbuiken.
Terwijl het ene na het andere vliegtuig voorbij stoof namen de mannen de stand van het land door. De conclusie was kort en bondig; we zijn allemaal te slap en te soft, ergo, het hele land zit vol met watjes.
De klaagzang donderde door terwijl er een Boeing 747 op honderd meter voorbij denderde. Voor de niet-spotters onder ons; dat is een flinke. De mannen keken niet op of om want ze zaten te diep in hun eigen verhaal en ellende gedoken om het technologisch wonder voorbij te zien schieten. Misschien hadden ze wel een beetje gelijk want als zelfs een voorbij razende 747 je niet meer doet opkijken is er wellicht toch iets aan de hand.



vrijdag 16 april 2010

Heerlijk. Badminton

Na een korte pauze van zestien jaar heb ik het badminton weer opgepikt. Heel fijn, ontspannen en rustig op de woensdagavond in Haarlem-Noord. Voor mij dan.
Afgelopen woensdag werd mijn aandacht getrokken door een baan waar een mannendubbel werd gespeeld. Een van de spelers had een shirt aan in twee verschillende grijstinten. Zo leek het althans. Bij nader onderzoek bleek de bovenste helft van het shirt donkergrijs te zijn door de liters zweet die zich daar hadden opgeslagen. Het trof mij dat niet het hele shirt doorweekt was.
Het shirt van de man, die ik in een sympathieke bui begin veertig schat maar eruit zag als iemand van achter in de vijftig, was niet de aanleiding van mijn aandacht voor het spelletje tussen de vier heren.
Mijn aandacht werd getrokken door een wild gescheld tussen de mannen van middelbare leeftijd. De grande finale werd ingeleid door het krachtig weggooien van een racket en werd besloten door een speler die woest, en verwensingen gillend, richting de kleedkamer beende.
Ik maakte een stap terug in de tijd. Een stap van ruim zestien jaar en ik bevond mij in de sporthal waar ik het spelletje heb geleerd. We speelden een competitiewedstrijd en mijn temperament mondde uit in een fikse scheldpartij. Zo hevig dat mijn vader zich daarna niet meer op de, toch al slecht gevulde, tribune liet zien. Logisch. Er zijn betere bestedingen van een zaterdagmiddag dan met buikpijn te moeten kijken naar een roder wordende puber die ook nog eens je zoon is.
Jaren na dit incident ben ik met squash begonnen en ook daar moesten drie rackets het ontgelden tegen de betonnen muur.
Kijkend naar de vroege vijftigers in Haarlem kwam het besef dat ik daar nu hopelijk toch echt te oud voor ben geworden.

vrijdag 9 april 2010

Elektra

Deze tekst wordt geboren in een kleedkamertje van jeugdcentrum Elektra in Sliedrecht. Vanavond mijn kleinkunstvoorstelling gespeeld in dit prachtige Sliedrecht.
Heerlijk mondig publiek.
Dat bleek wel toen de act na mij opkwam en ik vanuit de zaal hoorde: ’T is nu al leuker dan de vorige…’
Op het podium waar ik mijn peentjes zweette staan normaal bandjes te spelen. Dat werd duidelijk uit de subtiele en sympathieke teksten die her en der op de muur stonden geschreven.
Teksten als: ‘De drummer van Iron Maiden heeft geen neus’.
Maar het kan nog mooier want qua poëzie werd deze frase nog overtroffen door de kreet: ‘ Bonje Kolonje by Fred au de Toilet’.
Prachtig.
Tranentrekkend wordt het pas met de zin: ‘Oma gaat naar de disco, Jopie is Goed!’
Verder stond er minstens driehonderd keer het woord ‘neuken’ of een grammaticale vervoeging daarvan. Om het een en ander met beelden te onderbouwen waren er een kleine zestig fallussen getekend.
Hoe verder dit schrijven vordert hoe dichterbij het moment komt dat ik, door de zaal met licht beschonken gasten, het pand ga verlaten. Ik hoop dat ik ze alle achttien van me af kan houden.
En dan, om de filosoof Gordon te citeren, met gillende banden naar huis!

zaterdag 3 april 2010

Kut je moeder

Op de glasbak om de hoek, waar ik met enige regelmaat groen gekleurde flessen in werp, staat de tekst 'Kut je moeder'.
Nu is er mij geen taal bekend waarin 'Kut je moeder' eigenlijk glasbak betekent. Waarschijnlijk wordt er met de tekst dan ook niets anders bedoeld dan wat er staat: 'Kut je moeder'.
Maar daarmee schiet ik niets op. Want wie zet zoiets erop? En waarom? Is het een vete tussen twee pubers die wordt uitgevochten middels de diverse glasbakken in de stad?
Op msn wordt de laatste stand van zaken doorgenomen in de onderlinge ruzie.
Twan zegt: Igor, Igor, ha ha, ik heb lekker 'Kut je moeder' op een glasbak geschreven!
Igor zegt: Oh, okay.
Waarop Igor zijn spuitbus ten hand neemt en een ongeschonden glasbak gaat zoeken om een minstens zo pijnlijke verwijzing naar de moeder van Twan te maken.
Zoiets.
De zin is niets meer dan een holle frase. Ik, als achteloze passant en gebruiker van de glasbak, heb geen idee wie er mee bedoeld wordt. Bovendien, en dat steekt toch ook wel een beetje, is het krom Nederlands. Grammaticaal is 'Kut je moeder' slecht uit te leggen. Je hebt geen idee wie er mee aangeduid wordt en of het eigenlijk wel over een moeder gaat.
Op zich heb ik niets tegen een fijne beschildering van de gele bakken met bruine roestvlekken maar iets meer duidelijkheid met betrekking tot de boodschap die deze woordkunstenaars over willen brengen zou ik wel op prijs stellen.