donderdag 20 juni 2013

Woordgeboorte

Op straat kwam hij me tegemoet lopen. Over zijn bolle buik spande een t shirt dat net niet de onderste rand van het buikvel aan het gezichtsveld kon onttrekken. Zijn lange, vette haren kregen nog een extra glans door de motregen. Ik schatte hem op een jaar of veertig.

Onder zijn ogen had hij wallen waar een middelgroot plezierjacht met gemak aan kon meren. In zijn mondhoek had hij wat shag. Niet opgerold tot een sigaret maar gewoon een bruin, nat plukje. Zijn baardje deed me denken aan volstrekt willekeurig opgeplakte kruimels ontbijtkoek.
Nog net te ver weg om te lezen welke tekst er op zijn shirt stond, het leek maar een woord, hoogstens twee, werden naast hem wel de contouren van een vrouw zichtbaar. Ze was klein, dik en droeg een te groot lichtblauw spijkerjack. In haar rechterhand hield ze een hondenriem. Hoe ik ook keek en zocht, een hond was nergens te bekennen.
De twee kwamen dichterbij. De kleur van het t shirt van de man bleek hemelsblauw te zijn. De opdruk gifgeel.
Langzaam werden de dansende letters op het shirt omgesmeed tot een woord.

In capitalen stond er EINDBAAS.

En toen realiseerde ik me dat dit hét beeld móet zijn geweest dat de persoon voor zich zag toen hij het woord 'tragikomisch' bedacht.

maandag 10 juni 2013

Karten

Gisteren ging ik in Groningen langs bij een van mijn beste vrienden. Hij heeft eind vorig jaar de Liefde van zijn leven ontmoet en ik had haar, tot mijn milde schaamte, nog niet ontmoet. Na een uitgebreide lunch aan de keukentafel, waarbij overduidelijk was dat de twee elkaar voor altijd hadden gevonden, ging zij op stap en besloten G. en ik om te gaan karten. Om te gaan karten ja. Dit deed ik een keer eerder in mijn leven en toen was het geen succes. Ik had op dat moment nog geen rijbewijs en gaf dus gas vóór, en remde ín de bochten. Nu, met een rijbewijs op zak, zou dat vast heel anders gaan.

Omdat het zondag was, en er weinig mensen op de kartbaan waren, was de wachtruimte gesloten. We konden daarom onze beurt afwachten in de kantine van de aangrenzende bowlingbaan. Op de bowlingbaan stonden drie vormeloze vrouwen, onder nietsontziend tl licht, met een noodvaart de zware ballen een voor een in de goot te gooien. Een prestatie op zich. Dwars door de zware lucht van hamburgers en kroketten heen kwam een buitengewoon vriendelijke medewerker van de kartbaan ons de basisprincipes uitleggen van het karten. G. doet het vaker en kent de baan maar voor mij was het nieuw. De laatste, en dus enige keer, is ruim 17 jaar geleden en deze heb ik, waar mogelijk, vakkundig uit mijn geheugen proberen te wissen. En sinds gisteren weet ik ook wel weer waarom.
Er was ons verteld dat, als je hard reed, het rondje in 52 seconden kon afleggen. 56 seconden was ook een knappe tijd en als je binnen de minuut bleef viel je niet uit de toon bij de rest. Grappend zei ik tegen de instructeur dat mijn eerste rondje dan waarschijnlijk 1.10 zou gaan duren. Dat zou echt een wijventijd zijn merkte hij op. Mijn eerste ronde reed ik in 1.36.

Van de vijf karts op de baan was de mijne met afstand de langzaamste. Of dit aan de kart of aan de chauffeur lag laat ik natuurlijk in het midden. Na talloze malen te zijn ingehaald door jongens die nog niet geboren waren toen ik al op kamers ging wonen zat de eerste heat erop. Door de botsingen met de boarding en een sympathiek kusje op mijn achterbumper van een ongeduldige coureur, hees ik mij gebutst op uit de kart. Nadat ik mijn helm had afgezet, waaronder, zo bedacht ik me tijdens het rijden, honderden opgeschoten pubers als een dolle hadden zitten zweten, liep ik op G. af die ontspannen een praatje stond te maken met een medewerker van de kartingbaan. ‘Klaar voor de volgende keer?’, vroeg hij. We hadden namelijk twee heats gereserveerd maar al tijdens de eerste was voor mij duidelijk geworden dat het ook bij een heat zou blijven. Het ging me te hard, te laag bij de grond ook en om mij heen leek iedereen Michael Schumacher en was ik iemand die tijdens zijn eerste rijles voorzichtig kennis maakte met het drukke verkeer. G. was zo sportief om ook zijn tweede heat niet meer te rijden en zo kwam het dat we, waarschijnlijk als een van de weinigen, ons startbewijs weer inleverden.
Buiten, op de parkeerplaats, stond de auto waarmee ik uit Haarlem naar Groningen was komen rijden. Een stoere Daihatsu Cuore die ik van mijn ouders had geleend. Met G. op de passagiersstoel trapte ik het gas maar eens vol in waardoor we met piepende bandjes wegschoten. Een kleine tien minuten later zaten we op het Akerkhof aan de muntthee. Met honing. Voor mij wel weer mans genoeg.

Schumacher meets Daft Punk. Maar dan helemaal niet.