vrijdag 14 februari 2014

Olympische Winterspelen

Ze zijn in volle gang, de Olympische Winterspelen in het bloedhete Sotsji. In de aanloop naar dit evenement heb ik al een beetje kunnen wennen aan het feit dat deze Spelen de duurste aller Winterspelen zijn. Sterker nog. Ze zijn duurder dan alle voorgaande edities bij elkaar. Dat ze worden gehouden op een locatie met een subtropisch klimaat is ook al geen nieuws meer. De langlaufers treden met korte mouwen aan en de sneeuw is ingevlogen van plekken waar het wél koud is. Dat de Russische president een homofoob is en het IOC zich niets aantrekt van mensenrechten is ook oud nieuws.

Althans, dat dacht ik totdat ik het dubbelrodelen zag.
 
Volgens mij is het dubbelrodelen speciaal voor deze spelen bedacht maar wordt aan Poetin verteld dat deze sport al sinds de oude Grieken wordt beoefend. Tijdens het dubbelrodelen liggen twee mannen plat op elkaar op een sleetje dat zich met een duizelingwekkende snelheid naar beneden werkt. Dubbelrodelen is niet de enige sport waarover ik me verbaas tijdens deze Spelen. Een variant op het rodelen is het skeleton. Bij de beoefening van deze sport ligt de atleet met zijn buik op een ieniemini-sleetje en knalt op deze manier met zijn kin vlak boven het ijs naar beneden. Zo lijkt elke skeletonrit, waarbij de atleet in goede gezondheid over de finish komt, op een mislukte zelfmoordpoging.

Het snowboard-onderdeel waarbij de heren en dames in veel te grote broeken de meest idiote  stunts uithalen (threetwentysixtybackflipturn) op een halfpipe van ijssneeuw, vind ik al even opmerkelijk. Bij dit onderdeel ga je kennelijk net zo lang door totdat je er een dwarslaesie of minstens een verbrijzelde knieschijf aan overhoudt. De een na de ander maakt een doodssmak om vervolgens op het jurybankje te gaan zitten en te wachten op de cijfers die ze kregen voor deze bijna-doodervaring.

Bij het ijsdansen voor koppels worden de vederlichte dames door hun bonkige, mannelijke danspartners zo ongeveer het stadion uitgeflikkerd en als het kunstschaatsen voor heren al niet aan het begin van de vorige eeuw op de Olympische agenda had gestaan, had ik ook hiervan gedacht dat het IOC op deze manier een lange neus wilde maken naar Poetin en co.

O ja, en er is ook nog curling. Dat is een soort jeu de boules voor blinden en slechtzienden. Het is alleen wel een beetje lastig omdat het op ijs is maar om dit probleem te tackelen proberen een aantal mensen zo hard over het ijs te bezemen dat het ijs er trager door wordt en de ‘puck on steroids’ er langzamer van gaat glijden. Dat zou natuurlijk niet nodig hoeven te zijn als je het gewoon buiten op de parkeerplaats zou doen maar dan is het weer geen wintersport.

En toch zijn de Spelen geslaagd. Nu al. Sterker nog. Ik zou er een dikke strik omheen doen en de Spelen afsluiten want mooier dan dat het nu is wordt het niet meer. Een paar dagen geleden won Stefan Groothuis goud op de 1000 meter. Groothuis werd meestal vierde maar veel, en veel erger dan dat was zijn depressie waarover hij openlijk vertelde in het programma ‘Recht uit het hart’ van de KRO. Voor iemand die uit dit diepste dal klimt en zich boven op de Olympus laat kronen met het goud kijk ik graag twee weken naar dubbelrodelen, skeleton, snowboarden, ijsdansen en zelfs, ja, zelfs naar curling.

 

donderdag 6 februari 2014

Pleidooi voor de fantasie


Dit is José Alvarenga. Hoewel hij er misschien uitziet als een clochard is hij dat niet. Dat bewijs wordt niet geleverd door het coca-colarood van het blikje in zijn hand maar door zijn verhaal dat hij vertelde toen hij werd gevonden op een van de Marshall-eilanden. Dat is opmerkelijk omdat hij zegt te zijn afgedreven op een klein vissersschuitje in de buurt van Mexico. Alvarenga heeft naar eigen zeggen dertien maanden op zee gedobberd en kon overleven door het eten van rauwe vis en het drinken van schildpaddenbloed en zijn eigen urine.  Het is aan dit dieet te danken dat hij 10.000 kilometer verder dan dat hij vertrokken was, en als een ogenschijnlijk verwilderde man, op het strand van een klein eilandje werd geblazen.

De Volkskrant van vandaag is er niet uit of Alvarenga een moderne Odysseus is of een fantast. Dat maakt mij ook niet uit. Voor mij staat vast dat het een prachtig verhaal is. Omdat we alles kunnen onderzoeken en nachecken, en als wij dat zelf niet doen dan doen de AIVD of NSA het wel, verliest de fantasie zienderogen aan terrein. De fantasie wordt niet of nauwelijks meer getriggerd omdat deze letterlijk kapot kan worden gecheckt. Herman Finkers roemt in zijn laatste voorstelling de man die hem bijbracht dat een boom zoveel meer is dan een zuurstoffabriek, iets wat hem voor die tijd geleerd was. Toen ik als medewerker op buitenschoolse opvang werkte kreeg ik de meest fantasierijke tekeningen onder ogen die van alles voorstelden wat ik niet direct uit het kunstwerkje haalde. En dat is prachtig. Wanneer we ouder worden komt de fantasie steeds meer in de verdrukking door de realiteit. Alles wordt meetbaar, zichtbaar en het meeste ook betaalbaar. Het oneindig kleurenpalet uit de jeugd wordt teruggebracht door de zeven kleuren van de regenboog, het zwart en het wit en het grijs er tussenin.
 
Daarom een pleidooi vóór de fantasie. Een pleidooi vóór het verhaal waarin Alvarenga niet alleen overleefde door middel van rauwe vis, schildpaddenbloed en zijn eigen urine maar ook door de weg te vragen aan voorbij komende vliegende vissen. Doordat hij een heroïsch gevecht won met een nog niet ontdekte reuzeninktvis.  Een pleidooi voor het feit dat hij kon overleven door elke avond hetzelfde gedicht op te zeggen dat zijn moeder hem had geleerd door het avond aan avond, voor het slapen gaan, voor te lezen. En tot slot omdat de naam van het eilandje Ebon waar hij aanspoelde, dezelfde naam was als die van zijn eerste vriendinnetje. Het meisje aan wie hij zich op zeventienjarige leeftijd voor het eerst gegeven had.

In onze wereld, waarin de natuur langzaam opgegeten of gecultiveerd wordt en je status (en het delen daarvan) alsmaar belangrijker wordt, biedt de fantasie uitkomst, lucht een zuurstof. Zuurstof die wordt geproduceerd om de bomen om ons heen. Maar dat is, zo leerde Finkers ooit, gelukkig niet het enige dat ze doen.