Dit is José Alvarenga. Hoewel hij er misschien uitziet als een clochard is hij dat niet. Dat bewijs wordt niet geleverd door het coca-colarood van het blikje in zijn hand maar door zijn verhaal dat hij vertelde toen hij werd gevonden op een van de Marshall-eilanden. Dat is opmerkelijk omdat hij zegt te zijn afgedreven op een klein vissersschuitje in de buurt van Mexico. Alvarenga heeft naar eigen zeggen dertien maanden op zee gedobberd en kon overleven door het eten van rauwe vis en het drinken van schildpaddenbloed en zijn eigen urine. Het is aan dit dieet te danken dat hij 10.000 kilometer verder dan dat hij vertrokken was, en als een ogenschijnlijk verwilderde man, op het strand van een klein eilandje werd geblazen.
De Volkskrant van vandaag is er niet uit of Alvarenga een moderne Odysseus is of een fantast. Dat maakt mij ook niet uit. Voor mij staat vast dat het een prachtig verhaal is. Omdat we alles kunnen onderzoeken en nachecken, en als wij dat zelf niet doen dan doen de AIVD of NSA het wel, verliest de fantasie zienderogen aan terrein. De fantasie wordt niet of nauwelijks meer getriggerd omdat deze letterlijk kapot kan worden gecheckt. Herman Finkers roemt in zijn laatste voorstelling de man die hem bijbracht dat een boom zoveel meer is dan een zuurstoffabriek, iets wat hem voor die tijd geleerd was. Toen ik als medewerker op buitenschoolse opvang werkte kreeg ik de meest fantasierijke tekeningen onder ogen die van alles voorstelden wat ik niet direct uit het kunstwerkje haalde. En dat is prachtig. Wanneer we ouder worden komt de fantasie steeds meer in de verdrukking door de realiteit. Alles wordt meetbaar, zichtbaar en het meeste ook betaalbaar. Het oneindig kleurenpalet uit de jeugd wordt teruggebracht door de zeven kleuren van de regenboog, het zwart en het wit en het grijs er tussenin.
Daarom een pleidooi vóór de fantasie. Een pleidooi vóór het verhaal waarin Alvarenga niet alleen overleefde door middel van rauwe vis, schildpaddenbloed en zijn eigen urine maar ook door de weg te vragen aan voorbij komende vliegende vissen. Doordat hij een heroïsch gevecht won met een nog niet ontdekte reuzeninktvis. Een pleidooi voor het feit dat hij kon overleven door elke avond hetzelfde gedicht op te zeggen dat zijn moeder hem had geleerd door het avond aan avond, voor het slapen gaan, voor te lezen. En tot slot omdat de naam van het eilandje Ebon waar hij aanspoelde, dezelfde naam was als die van zijn eerste vriendinnetje. Het meisje aan wie hij zich op zeventienjarige leeftijd voor het eerst gegeven had.
In onze wereld, waarin de natuur langzaam opgegeten of
gecultiveerd wordt en je status (en het delen daarvan) alsmaar belangrijker
wordt, biedt de fantasie uitkomst, lucht een zuurstof. Zuurstof die wordt
geproduceerd om de bomen om ons heen. Maar dat is, zo leerde Finkers ooit,
gelukkig niet het enige dat ze doen.
