donderdag 25 juli 2013

Man met scootmobiel

Het is al bijna weer een jaar geleden dat E. overleed na ‘een kort ziekbed’. Dat van dat korte ziekbed is nogal een eufemisme want het bed stond amper in de kamer toen E. al stierf.

Regelmatig denk ik aan hem. Als ik zijn foto zie in mijn kast die we kregen na de uitvaart. Maar ook als ik in Haarlem een hele dikke man, wiens hoofd naadloos overloopt in zijn dikke nek, zie rondrijden op een scootmobiel. Deze dikke man zag ik voor het eerst rijden vlak nadat ik het doodsbericht had ontvangen. Mijn eerste gedachte was ‘waarom hij niet en waarom E. wel’. E. was nog geen zestig, stond midden in het leven en had tot vlak voor zijn dood een knetterende gezondheid waardoor hij onder andere per ligfiets van Cairo naar Kaapstad kon  reizen. Dwars door Afrika.
De dikke man in de scootmobiel zou de grenzen van Haarlem waarschijnlijk niet eens bereiken met zijn gemotoriseerde voertuig; laat staan met een fiets. Voordat E. overleed had ik de man in de scootmobiel nog nooit gezien, althans, hij was me niet opgevallen. Nu wel, nu zie ik hem elke week wel ergens rijden. Langs het Spaarne, door de Grote Houtstraat, door het leven.

Het afgelopen jaar sloeg mijn frustratie wanneer ik hem zag om in dankbaarheid. E. is dood en komt niet meer terug. Ook niet als de dikke man in de scootmobiel zijn wagentje onder een bus parkeert of hij ten onder gaat aan zijn eigen lichaamsgewicht. Elke keer als ik hem nu zie rijden is E. weer even terug in mijn gedachten. Even minder dood. Dat is het kleine, onbewuste, cadeau dat de man met zijn scootmobiel mij geeft. Dood ben je pas als je bent vergeten zong Bram Vermeulen. Ik hoop dat de man in zijn scootmobiel nog lang niet dood gaat.

maandag 8 juli 2013

Mr Ed

‘Misschien’, zei ik tegen mezelf, ‘misschien zit er wel een klein blogje in’. Dit bedacht ik me toen ik gisteren wegfietste bij Mr Ed in het landelijke Burgerveen. Mr Ed is de uitbater van een lokale horecagelegenheid en in deze dus niet het sprekende paard, alhoewel enige uiterlijke overeenkomsten wel in het oog springen.

Het interieur van deze cafetaria stamt nog uit de tijd dat mensen zonder enige vorm van creativiteit én gebukt onder een lichte depressie aan de slag gingen met de inrichting. Op de grond ligt bruin tapijt dat zo stug is als paardenhaar en dat er al lag toen ik in 1976 werd geboren.  De houten stoelen bij de tafels, waar dikke Perzische kleedjes op liggen, hebben nooit lekker gezeten.
Kijkend naar het interieur, en daaruit concluderend dat de zaak niet echt met de tijd was meegegaan, informeerde ik of ik met pin kon betalen. Dat kon. Revolutie! De dame achter de met tl verlichte vitrines waarin de snacks geduldig op het frituurvet lagen te wachten vroeg mij wat ik wilde drinken. Een koffie en een cappuccino antwoordde ik.
‘Mot je er niks bij ete?’ Ik keek naar links. Daar stond Ed, hoekig, onvriendelijk, nors, die mij kennelijk net gevraagd had of ik ook bij de koffie iets wilde gebruiken. Ik keek naar de vitrines. Naast de diepgevroren frikadellen en kroketten lagen er ook de slaatjes die in de jaren ’80 óntzettend populair waren. Omdat het slaatje vooral bestond uit een bol huzaren salade met daarover een diarreedunne mayonaise, een vochtig ei en wat fijn gesneden worteltjes, bedankte ik vriendelijk. Ed zuchtte opzichtig. Ik maakte aanstalten om de automatenkoffie met pin af te rekenen. Ed schuifelde dichterbij en siste de vrouw toe dat ze wel moest vragen of de klanten niet ‘contant kenne betale’. Ze antwoordde dat ik speciaal had gevraagd of ik met pin kon betalen. Voor Ed was dit nog niet genoeg. ‘Ja maar’, vervolgde hij, ‘de meeste mense hebbe wel cash bij zich hoor.’
Ik niet Ed, ik niet.
Vlak voor vertrek ging ik even naar het toilet. Naast de ingang zaten twee mensen lusteloos naar de fruitautomaten te kijken waar ze al sinds 1963 van alles inwerpen. Eerst guldens, daarna euro’s en tenslotte hun geluk. Mijn vriendin vertelde dat bij de damestoiletten een van de twee wc’s was gereserveerd voor het personeel. Ik dacht even terug aan de vrouw achter de vitrines. En aan de slaatjes. Het eten van zo’n slaatje, zo bedacht ik me, staat garant voor twee uur ongekend plezier op het toilet. Dan is het wel zo lekker om op je eigen toilet los te kunnen gaan.
We klikten ons weer vast in de pedalen van onze racefietsen. Terwijl de zon steeds feller begon te branden dacht ik nog even terug aan Mr Ed en zei ik tegen mezelf  ‘misschien zit er wel een klein blogje in’.