zondag 30 januari 2011

Voetbalplaatjes

Ze zijn er weer en o, wat vind ik het nu al vervelend.
Nee, ik heb het niet over de voetbalplaatjes van Albert Heijn.
Ik heb het over het meest in het oog springende neveneffect van deze actie. Ik heb het over kinderen tussen de vijf en de acht die bedelen. Niet om rijst of graan maar om Gregory van der Wiel of Tim Matavz.
Vorige week had ik al een bord zien staan waarop de spelregels van het bedelen nog eens duidelijk waren opgetekend. Zo zou er een speciaal vak moeten zijn en kan je bij een overtreding van de regels een gele kaart krijgen. Twee keer geel is rood, ook bij Albert Heijn, en zo kan het zijn dat je op je vijfde al de winkel wordt uitgeschopt omdat je alleen maar hoopte de bonkige kop van Frank Demouge aan je verzameling te kunnen toevoegen. T lijkt mij een vruchtbare bodem voor een eerste jeugdtrauma.
Bij de Albert Heijn waar ik mijn boodschappen doe doken ze gisteren voor het eerst op. Ineens stonden ze daar. Het mantra 'Heeft u nog voetbalplaatjes', werd driftig gereciteerd. In twee rijtjes stonden de kinderen aan weerszijden van de schuifdeur. De manager had er op een goed moment genoeg van en dirigeerde de kleine schooiers naar buiten. Een van hen merkte op dat het wel heel koud was op straat.
'Daarom zijn er jassen, daarom zijn er sjaals', was het antwoord van de manager die ik er ernstig van verdenk zijn hele plakboek al vol te hebben en nu ook probeert om Luis Suarez zo duur mogelijk van de hand te doen.
Brutalen hebben de halve wereld dus de kinderen gisteren op straat zijn waarschijnlijk met drie keer alle spelers van de Eredivisie naar huis gegaan. Leuk voor ze. Wat ben ik blij dat deze acties niet bestonden in de tijd dat ik kind was. Ik had het nooit aangedurfd om mensen naar voetbalplaatjes te vragen waardoor ik waarschijnlijk uren lang had zitten staren naar Lex Immers van Ado Den Haag omdat een vriendje twaalf stickers van Lex had en hij deze daarom wel wilde ruilen tegen twee knikkers.
'Heeft u ook voetbalplaatjes?', klinkt het in koor als ik de Albert Heijn uitloop. Ik geef mijn pakje aan het meest timide mannetje aan het eind van de rij.
'Yesss', zegt hij, 'de linkerhelft van AZ. Nu heb ik AZ compleet!'
De hype houdt nog even aan. Een week of twee gok ik. Dan is de interesse van de kinderen weer net zo snel verdwenen als deze opkwam. Dan begint het knikkeren weer. En kijk, dat vond ik dan wel weer leuk. Voor knikkers hoefde je niet bij grote mensen aan te kloppen. Nee, knikkers kon je gewoon kopen bij speelgoedwinkel Pol aan de Hendrik Droststraat in Olst.

zaterdag 29 januari 2011

Verslag van een Zenretraite

Op de boot naar Ameland zakte de moed, die al tot mijn enkels was gedaald, me volledig in de schoenen. Waar was ik aan begonnen? Ik had me opgegeven voor een retraite via Zen.nl. Bij het horen van het woord retraite schieten bij de meeste mensen termen als rust, contemplatie en inzicht te binnen.
Maar een zenretraite, of sesshin zoals het binnen zen genoemd wordt, was, zoveel wist ik al wel, veel meer en veel zwaarder dan je van tevoren kon bedenken.
Aangekomen op een kruispunt in mijn leven was het mijn intentie om eens goed, diep en eerlijk bij mezelf naar binnen te kijken en mijn ogen niet af te wenden voor dat wat naar boven zou komen bubbelen. Toen de boot aanmeerde had ik, door eerder genoemde intentie als een soetra voor mezelf te reciteren, net genoeg moed verzameld om het avontuur aan te gaan.

Het programma begon zondag aan het eind van de middag en zou tot de eerstvolgende zaterdagochtend duren. Vijf volle dagen gevuld met mediteren en stilte.
Het regime deed Spartaans aan. Volledige stilte, geen oogcontact, opstaan om vijf uur, mobiele telefoons inleveren en tot mijn milde teleurstelling bleek ook de televisie op de kamer te zijn gedemonteerd waarmee mijn laatste hoop op een dagelijkse portie nieuws de kop in werd gedrukt. Alle omstandigheden waren gecreëerd om zo dicht mogelijk bij jezelf te komen en te blijven voor de duur van de sesshin.

Alle dagen begonnen na koffie en thee met het reciteren van een aantal soetra’s. Op een klein onderhoud met de zenmeester na was dat het enige geluid dat mijn stembanden produceerden op een dag. In een van de soetra’s wordt Kanzeon aangeroepen. Zij is voor het (zen)boeddhisme wat Maria is voor de Christelijke traditie. Om ervan overtuigd te zijn dat ze ons ook kan horen werd het reciteren geleidelijk steeds harder en eindigen we schreeuwend om onze oermoeder rond een uur of zes in de ochtend. Meteen na de soetrazang was het tijd voor de eerste twee meditatiesessies van 25 minuten die van elkaar werden gescheiden door een loopmeditatie van ongeveer vijf minuten.

De eerste paar keer in kleermakerszit gingen nog wel maar al snel bleek dat mijn lichaam ook wel eens in een andere positie wenste te zitten. Spiergroepen waarvan ik niet wist dat ze bestonden lieten van zich horen. Op het moment dat de pijn in mijn schouders wat weg leek te trekken begonnen mijn knieën op te spelen. Als mijn knieën voor het moment aan de houding gewend leken te zijn geraakt startte de pijn in mijn bovenarmen en zo ging er een constante pijngolf door mijn lichaam die de hele week aanhield.

In totaal mediteerden we ongeveer zes en een half uur per dag waarvan veertig minuten buiten in de vrieskou. De sessies buiten waren gelukkig de laatste sessies van de dag dus wanneer je je hier goed doorheen sloeg wachtte een comfortabel bed om je pijnlijke lijf ten ruste in te leggen.

Om half acht ’s ochtends, half één en half zes zijn er maaltijden. De middagmaaltijd is een warme lunch met dessert. Het avondmaal is een kommetje soep. Vlees werd er niet genuttigd. Nu kan ik best een paar dagen zonder vlees maar wanneer dit structureel vervangen wordt door smakeloze tofu begint het verlangen naar een saucijzenbroodje op de boot terug naar het vaste land haast epische vormen aan te nemen.
Ook eten deden we in stilte. De dagelijkse soepmaaltijden werden gedomineerd door linzen en bonen en werden flink heet geserveerd. Ik zag hoe mijn buurvrouw het wereldrecord hete soep eten verbrak maar er helaas niets over kon zeggen. Net zomin ik dat kon wanneer ik voor de derde keer in een week mijn mond aan de soep verbrandde.

Gedurende de dag zijn er een aantal pauzemomenten. Niet meer dan een half uur om even koffie of thee te drinken en de stramme ledematen te strekken. Ik maakte van de gelegenheid gebruik om de frisse lucht in te gaan en mijn ontwakende geest van genoeg zuurstof te voorzien. Met mij deden vele anderen, volledig in het zwart geklede, mede-sesshingangers dat ook. Hun blikken zijn serieus en in zichzelf gekeerd. Zo zeer zelfs dat het me af en toe tegenstond. Met z’n allen bepleiten we een betere wereld maar gedurende de week zijn we vooral met onszelf bezig. Toen ik per ongeluk toch even oogcontact had en uit gewoonte glimlachte bleef het gezicht van de tegenpartij strak in de plooi. Een gevoel van teleurstelling en ‘niet gezien worden’ kon ik niet onderdrukken.

Omdat praten taboe was, is het onmogelijk om de zaken die je tegenkomt op je zoektocht met de anderen te delen. Net zomin als dat het mogelijk was om ook even van anderen te horen dat ze verschrikkelijke pijnen hadden. Als uitlaatklep lagen er schriftjes voor ons klaar waar driftig in geschreven werd. Niet alleen om stoom af te blazen of nieuwe inzichten op te schrijven maar ook om aantekeningen te maken bij de lezingen, teisho’s, die onze zenleraar Rients Ritskes, eenmaal per dag gaf. Met het grootst mogelijke gemak zat hij ruim anderhalf uur in de lotushouding om ons te onderwijzen aan de hand van het thema van de sesshin; “Meer ruimte creëren in relatie tot jezelf”. De inspiratie voor deze lezingen haalde hij uit het boek ‘Sferen’ van de Duitse filosoof Peter Sloterdijk. We krijgen citaten mee waarin woorden stonden als ‘congeniaal’, ‘twee-eenheidverleden’, ‘interfaciaal’, ‘etnopoëtisch’ en ‘correlatieve dualiteit’.
Ik had al begrepen dat ongeveer 70 procent een universitaire achtergrond heeft en rond de veertig is. Ik ben 34, heb als hoogst behaalde diploma het papiertje van de HAVO en verdronk zo af en toe in het moeras van het idioom dat hier gehanteerd werd. Na afloop van de sesshin bekende mijn buurman, die mij tijdens de week zwijgend flankeerde gedurende de maaltijden, dat het soms ook boven zijn pet ging. Ik was dus niet alleen.

Dat ik niet alleen was geweest bleek ook toen we aan het eind van de week weer mochten spreken. De sesshin was ten einde gekomen en het enige dat ons nog restte was een feestontbijt. Mensen kwamen naar me toe om me uitgebreid te feliciteren met het behalen van mijn eerste sesshin en voegden er aan toe dat ze mij wel degelijk hadden zien lijden op mijn kussentje.

Ik was tijdens de week door alle fysieke en mentale pijn heen inderdaad tot allerlei inzichten gekomen en het was me gelukt om diep in mezelf af te dalen. Zelfs tot in de donkere hoekjes waar je liever niet komt. De vraag rest of ik de gevonden inzichten ook in de praktijk kan implementeren maar mijn gevoel zegt van wel.

Tijdens de terugtocht op de boot en knabbelend aan een saucijzenbroodje kwam het in me op dat ik een prestatie van formaat geleverd had. Van onze groep, die bestond uit ongeveer tachtig mensen, had maar een iemand opgegeven. Maar, en dat schoot me al etend te binnen, waren er op de zestien miljoen Nederlanders 15999920 mensen die de tocht überhaupt niet eens gemaakt hadden.

donderdag 6 januari 2011

Het rode licht

Sommige mannen zullen de situatie herkennen. Je loopt door een buurt waar de dames van lichte zeden achter de ramen zitten. Wanneer ze je opmerken wordt er op de ramen geklopt en verleidelijk, maar dat is overigens voor interpretatie vatbaar, gekeken. Helemaal op mijn gemak loop ik dan ook niet door dat soort buurten maar soms moet je wel.
Zo zit er op de Oudezijds Achterburgwal in Amsterdam een castingbureau waar ik regelmatig mag casten. De enige manier om dan niet met de dames in contact te komen is door bij de Damstraat het water in te springen om vervolgens onder water te zwemmen tot de plek van bestemming. Meestal word ik niet gevraagd voor rollen waarin een nat pak gewenst is dus loop ik schichtig langs de rood verlichtte ramen.

Nog pijnlijker is het als er een prille liefde naast je loopt. Die zou zo maar kunnen denken dat de lichtekooi een bekende van je is. En mijn ervaring is dat, hoe vaker je het ontkent, hoe kleiner de kans wordt dat ze je geloven.

Ik zou alle mannen, zeker in het begin van de relatie waarbij het vertrouwen nog moet worden opgebouwd, dan ook willen adviseren om deze buurten in het bijzijn van je partner vooral te mijden. Als er geklopt wordt op het raam kijk ik uit beleefdheid altijd wel even naar de dame in kwestie. Gewoon doorlopen en doen alsof je niets gehoord hebt werkt niet omdat degene die naast me loopt het ook heeft gehoord. Je wil van je nieuwe partner echt niet de vraag krijgen of je de dame achter het raam kent.

Zojuist liep ik over het Begijnhof in Haarlem. De rosse buurt is hier een stuk minder ontwikkeld dan in Amsterdam. Bijkomend voordeel is dat er ook geen hordes dronken Engelsen door de stad zwalken. De Engelsen zijn gewend dat de pub om elf uur sluit dus tanken ze zich vol. Als dan blijkt dat het café bij ons gewoon openblijft gaan ze vrolijk door met alle gevolgen van dien.

Ook op het Begijnhof probeerde een dame mijn aandacht te vangen. Ik keek naar links en lachte vriendelijk. Dat was voor haar kennelijk genoeg reden om haar slip opzij te trekken en mij een uitzicht te gunnen op… Nou ja op… Nou, op dat dus. Terwijl ik bijna struikelde over de altijd losliggende straattegels in dit soort buurtjes draaide ik mijn hoofd af en keek stoïcijns voor me uit.

De volgende keer loop ik wel een stukje om.