donderdag 30 mei 2013

Le Géant de Provence

Dertien dagen geleden maakte ik me in het Franse Bédoin op voor de beklimming per fiets van de Mont Ventoux.  Le Géant de Provence, de Reus van de Provence. Om de enorme berg, eenzaam gelegen zonder prehistorische wolkenkrabbers om zich heen, hangt een welhaast mythische mist. Letterlijk en figuurlijk. De top ligt vaker in de wolken dan dat hij ze wegkust. Vlak onder de top, als de bomen het hebben opgegeven en de weg over de berg kaal en kleikleurig omhoog slingert, staat het monument voor de overleden wielrenner Tom Simpson. Halverwege de jaren zestig werd de coureur, overmand door de totale uitputting, door omstanders van zijn fiets getild omdat hij er even later dood van af zou zijn gevallen. De dood konden de toeschouwers niet meer stoppen. Hij was al in hun midden en hoefde alleen nog maar bij de fietser neer te knielen. Omringd door een aureool van wielerliefhebbers stierf de Brit en maakte van de Mont Ventoux en van zichzelf een legende.

Voor aanvang van de klim werden we gewaarschuwd voor de weersomstandigheden. Heel in de verte kwam een donker dekbed door de hemel aandrijven maar de top van de berg zelf was vanuit Bédoin goed te zien. De ruim 21 kilometer lange klim begon relatief gemakkelijk. Na vier kilometers door open velden vol klaprozen te hebben gefietst maakt de weg een scherpe bocht naar links en doemde Het Bos op. Het Bos is een grote slapende sluipmoordenaar met een lengte van twaalf kilometer en een stijgingspercentage dat niet onder de negen procent uitkomt. De moordenaar kan elk moment wakker worden en het is zaak om rustig op je fiets te blijven zitten en in stilte te stijgen. Elke kilometer die je dichter bij de top komt wordt gemarkeerd met een paaltje waarop de nog af te leggen afstand staat samen met het stijgingspercentage van de komende kilometer. Met de kilometerpaatjes als stille getuigen heb ik in Het Bos een aantal keer overwogen om af te stappen. Het was te zwaar, te lang, te uitzichtloos ook. Achter elke bocht doemde een nieuwe strook asfalt op. Even genadeloos als de vorige en minstens zo lang ook. Na een kilometer of zes in Het Bos had ik een tempo te pakken. Het was veel langzamer dan ik beoogd had maar dat was op niets gebaseerd. Nooit eerder beklom ik een berg waardoor een gemiddelde van tien kilometer per uur een idylle bleek te zijn. In een fors wandeltempo herpakte ik mezelf en naderde de kruinen van de loofbomen. Met elke meter die ik klom daalde de temperatuur.
Op zes kilometer onder de top, als de contouren van het beroemde Chalet Reynard zichtbaar worden, neem je de sprong van de aarde naar de maan. De alles vernietigende wind die om de berg heen raast heeft boven de boomgrens de berg kaal geslagen tot een maanlandschap.  In de verte doemde de top al op. Ik was ervoor gewaarschuwd; de top zien betekent niet dat je er ook al bijna bent. Halverwege de maan, tussen de aarde en de top, begon het te sneeuwen. Voorzichtige vlokken verkenden de omgeving waarin ik reed. Nadat de vooruitgeschoven troepen het signaal hadden doorgegeven dat de kust veilig was scheurde het grijze dekbed boven mijn hoofd los en liet haar witte vlokken eindelijk los. Het zicht was inmiddels teruggebracht tot niet meer dan twintig meter. Om mij heen veranderde de flanken van de berg in grote witte bladzijden waarop ik mijn verhaal aan het schrijven was. Mijn verhaal dat met een later invallende dooi zou wegsmelten maar waarvan de blauwdruk voor altijd in mijn hoofd gegrift staat.

Rechts van mij ontwaarde ik het monument voor Tom Simpson. Met nog 800 meter te gaan was hij gestrand. Ik fietste door. Met mijn mond geopend en een oog gesloten tegen de sneeuw ploegde ik voort op een weg die gladder en gladder werd.
De allerlaatste bocht. Vanuit mijn ooghoeken zag ik, in een wereld waarin alles om mij heen bewoog,  het weerstation met de rood-witte mast er bovenop als baken van rust. Het laatste stuk, de finale veertig meter kon ik niet meer fietsen. IJs en sneeuw maakten van de weg een decor waar de banden van mijn racefiets zich geen raad mee wisten. Het laatste stuk legde ik lopend af. Ik parkeerde mijn fiets tegen het gebouw op de top, maakte een foto van mezelf en het paaltje welke aangaf dat ik op de top stond, en zocht een warm heenkomen. In het winkeltje op de top zag ik mijn blote benen steeds roder kleuren terwijl het gevoel in mijn vingers weer langzaam richting de vingertoppen kroop. Ik trof er een andere wielrenner. Ook aangedaan door het natuurgeweld maar nog helder genoeg om enkele souvenirs in te slaan. Zelf had ik geen geld bij me. De fietser, een Vlaming, was zo vriendelijk om voor mij een blikje cola te kopen. De top van de Mont Ventoux verbroedert. Zeker bij het soort weer waarin je het alleen niet redt.

De afdaling, nadat de sneeuwstorm was gaan liggen, voelde aan als een achtbaanrit door een reuzevrieskist. Lopend waar het moest en fietsend waar het kon, bibberde ik me een weg naar beneden. Naar het chalet. Naar de warmte.
Ik was op de top geweest. Op het dak van de Provence. Alle beelden boven waren in zwart en wit. En grijs, heel veel grijs. Langzaam kwamen de kleuren weer terug. In mij en om mij heen. Geen seconde heb ik het idee gehad dat ik de berg bedwongen had. Nee, de berg heeft het mij toegestaan om op de top te komen. En ze heeft me daarmee een ervaring gegeven die ik nooit meer zal vergeten.

woensdag 29 mei 2013

De mannenknot

Waar komen ze ineens vandaan? Elke dag worden het er meer en voorlopig lijkt het einde nog niet in zicht. Ik heb het over de mannenknot. Het stuk opgerold haar op de achterzijde van het hoofd. Het straatbeeld ziet er zwart van. Maar waar komen ze nou ineens allemaal vandaan? De geknotte mannen hebben niet van de een op de andere dag lang haar. Dat gaat, bij mij in ieder geval, niet zo rap. Sterker nog, na een maand of wat word ik het altijd zo zat dat ik weer een sprintje naar de kapper trek. De mannen met knotten zijn niet alleen gezegend met haar tot op de schouders maar meestal ook met volle baarden. Nog zo’n utopie voor mij. Dus ja, om de angel maar meteen uit de eventuele kritiek te halen; misschien is het wel de kift.

Maar dan nog. Opeens zijn ze er. Hebben de mannen gezamenlijk in een leegstaand warenhuis zitten afwachten tot hoofd- en baardharen lang genoeg waren om er mee naar buiten te treden? Of, beter nog, in een Limburgse mergelgrot? Gaf de man met het langste haar het startschot om naar buiten te treden met de lange manen nonchalant tot een knot gewikkeld?
Heel hip ziet het er uit. In 9 van de 10 gevallen wordt de styling vervolmaakt door er een broek bij te dragen die zo strak zit dat je er wat hoger door gaat praten en door een sjaal die losjes om de nek heen wordt gedrapeerd. Logisch natuurlijk want als je gewend bent om een vacht in je nek te dragen is het even wennen als je de vacht terugbrengt tot bolletje wol achter op het hoofd.

Gisteren werd in een artikel in NRC Next een link gelegd tussen deze zogenaamde hipsters en het populisme. Van beide hoop ik dat het van voorbijgaande aard is. Zodat ik, met kort haar en een matige baardgroei, weer kan toetreden tot het mondaine leven in de randstad.

 

donderdag 28 februari 2013

Hoi Zijne Heiligheid

Over een paar uur treedt de paus af als paus. Hij heeft als mens het allerhoogste bereikt en gooit nu de handdoek in de ring.
Het is alsof Lionel Messi bij de clubleiding van FC Barcelona binnenstapt en zegt dat hij de rest van het seizoen af gaat maken bij VVV-Venlo.  En om daarna in Venlo alleen nog maar te oefenen op vrije trappen maar deze nooit meer aan iemand te laten zien.

Binnen een paar weken hebben we een echte paus en een emeritus paus. De term ‘emeritus’ vind ik ongelukkig gekozen. Dat associeer ik namelijk met mensen die ergens heel goed in waren. Hoogleraren bijvoorbeeld worden emeritus hoogleraar als ze met pensioen gaan. Als de paus deze term nu ook gaat gebruiken kan iedereen het wel gaan doen. Ik ben dan bijvoorbeeld emeritus kandidaat van het tv spelletje Hints en straks, als ik stop met mijn huidige werk, emeritus receptionist.

De huidige paus behoudt wel de aanspreektitel van ‘Zijne Heiligheid’. De nieuwe paus krijgt deze titel ook. Hoe zal dat dan gaan als die twee elkaar in de catacomben van het Vaticaan tegenkomen?

‘Hé hoi Zijne Heiligheid.’
‘Hé hoi Zijne Heiligheid. Ook.’
Zoiets?

Paus Benedictus XVI zal afstand moeten doen van zijn gouden ring en pauselijke gewaden. Ook zijn typerende robijnrode schoenen zal hij niet meer dragen. Zijn voeten zal hij in de toekomst steken in een paar bruine instappers. Een kalfslederen paar uit Mexico dat ongelooflijk lekker om de voeten van Zijne Heiligheid zit. Altijd goed om te horen dat de paus een paar schoenen heeft dat ongelooflijk lekker om zijn voeten zit! De rode schoentjes worden weer gewoon een sprookje.
Wat een prettige bijkomstigheid voor beiden zal zijn is dat het old boys network van pausen na het conclaaf in een klap verdubbeld zal zijn. Al zie ik ook dat de woorden ‘old’ en ‘boys’ samen in één zin in het licht van de Katholieke kerk een ongelukkige woordspeling is.

Ik hoop vurig dat de wens van de paus in vervulling gaat. Hij wil de rest van zijn leven, en dat begint pas echt goed als je in de vut zit!, wijden aan schrijven en bidden. Het is te hopen dat hij daar niet bij gestoord wordt en dat hij op zijn beurt ook anderen niet meer stoort. Dit in tegenstelling tot Lionel Messi. Want hoezeer ik VVV-Venlo ook een lijfsbehoud in de Eredivisie gun, ik hoop van harte dat Messi tot in de eeuwigheid bij FC Barcelona zijn kunsten zal laten zien.

woensdag 27 februari 2013

Volkskrantverhaal

Esmée Piek

‘Ja! Ja, ik wil!’, had Jasmijn zojuist nog over heel Parijs uitgeroepen. De echo van haar stem was
net bestorven tegen het ijzer van de Eiffeltoren. Nu stond ze bleek en met holle ogen voor hem.
Samen hadden ze de foto’s bekeken die een Japanse toerist van hen had gemaakt. Een foto van
een dolgelukkige Sven die Jasmijn net ten huwelijk had gevraagd. Daarna een foto van Sven die
Jasmijn in zijn armen droeg. Daarna de foto die alles veranderde. ‘Sven,’ vroeg Jasmijn met een droge mond, ‘waarom heb jij déze foto van Esmée Piek in jouw telefoon?’

De hand had waarmee hij zijn mobiel vasthield en de foto had gemaakt bleef na de klap tussen het
leven en de dood nog even in de lucht hangen. Sven was bang voor het beeld dat hij te zien zou
krijgen. Het lichtgevende schermpje gaf een haarfijn beeld van het meisje dat hooguit zestien jaar
was. Ze stond met een kaarsrechte rug op de spoorwegovergang. In haar rechterhand de fietssleutel
waarmee ze even daarvoor haar fiets op slot had gezet. Sven had afgedrukt op het moment dat de
locomotief minder dan een halve meter van het meisje was verwijderd. Haar laatste ademtocht
stokte in de stilte van zijn foto. Om hem heen stonden omstanders in een geur van verschroeid vlees
naar hun mobiele telefoons te staren. Ze waren afgekomen op het gerucht dat er iemand op het
spoor stond. Niemand had geprobeerd haar op andere gedachten te brengen. Een aantal jongens
hadden haar zelfs uitgedaagd door te roepen dat ze het toch niet zou durven. Maar ze durfde wel en
was blijven staan. Tot het moment dat de locomotief haar als een bokser met een loden vuist uit het
leven had geslagen.

De dag erna haalde de zelfmoord van Esmée Piek de voorpagina’s van alle kranten. In korte tijd
hadden meerdere pubers een eind aan hun leven gemaakt nadat ze hadden besloten dat de
pesterijen voor altijd voldoende waren geweest. De grootste krant van Nederland vroeg omstanders
zich te melden. Liefst met een foto van de situatie. Sven belde op nadat hij voor zichzelf had
uitgemaakt dat ze de foto wel mochten publiceren maar alleen tegen betaling. Vijftienhonderd euro
wilde hij hebben. En Jasmijn mocht absoluut van niets weten. Nog geen minuut nadat hij de foto
had verstuurd werd hij al gebeld. De redactrice van de krant was lyrisch. Het bedrag was geen enkel
probleem. Wel was ze nieuwsgierig of Sven al een bestemming had gevonden voor het geld.
‘Ja’, zei Sven vastbesloten en sprak voor het eerst hardop zijn droom uit, ‘ik ga mijn vriendin ten huwelijk vragen. Bovenop de Eiffeltoren. Midden in Parijs. De stad van de liefde.’

zaterdag 23 februari 2013

Een emmer vol sterren

Ik moet beginnen met een mea culpa. Met een mea maxima culpa. In deze blog http://windinderug.blogspot.nl/2012/07/sterren-springen.html van juli vorig jaar geef ik nogal scherp af op een nieuw tv-format waarbij sterren van de duikplank afspringen. Mijn cynische en sarcastische toon zijn inmiddels ingehaald door de realiteit. Gisteren begon SBS6 met een vervolg op het springen; het schansspringen. En daar waar ik in juli nog fulmineerde tegen dit soort programma’s ben ik nu helemaal om. Sterker nog, ik vind dat er meer programma’s moeten komen waarbij zelfbenoemde sterren tussen leven en dood zweven. In mijn blog van juli 2012 bedacht ik nog wat quasi-grappige, op Ter Land, ter zee en in de lucht gebaseerde, programmatitels, maar nu ben ik bloedserieus. Het lijkt me een fantastisch idee om meer van dit soort programma’s te creëren waarin er een gerede kans bestaat dat een of meerdere sterren ons kunnen ontvallen. De emmer met sterren in Nederland zit inmiddels zo bomvol dat het tijd wordt voor wat meer ruimte. En dat gaat in het geval van een emmer alleen als er een aantal sterren over de rand kukelen.

Wat te denken van een programma als ‘Sterren automutileren’? Er is een goede kans dat er genoeg Nederlandse sterren zijn die niet weten wat het inhoudt, het automutileren, dus die zeggen al ‘ja’ bij het idee dat ze weer eens op de buis mogen verschijnen.
Sterren als Geert Hoes, Kelly en Jody Bernal bewerken zichzelf net zo lang met een bot aardappelmesje tot een van hen het loodje legt. De winnaar, degene die het langst blijft zitten, mag meedoen aan een ander sterrenformat!

Bijvoorbeeld ‘Sterren eten punaises’. Patty Brard, Patricia Paay en Tatjana Simic werken alle drie een bierglas vol met punaises weg. Als dit niet zorgt voor een eeuwige verwijdering uit het Nederlandse sterrenlandschap is er altijd nog het bijkomend voordeel dat ze in ieder geval nooit meer zullen zingen.
Of een programma als ‘Sterren slaan’, waarin Emile Ratelband, Dean Saunders en Sita net zo lang door jongeren worden geschopt en geslagen tot ze omvallen en niet meer opstaan. Ook dit heeft een bijkomend voordeel namelijk dat de jeugd z’n agressie kwijt kan op de sterren en niet meer op een onschuldige passant in bijvoorbeeld het centrum van Eindhoven.

‘Sterren schieten’, ook al zo’n briljant idee. En dan op locatie in Volendam. Half Volendam is inmiddels een ster dus door juist te mikken kan er in een klap een heleboel ruimte vrij komen in de sterrenemmer.
Voor de echte hardleerse sterren is het format ‘Sterren eten elkaar’ een uitkomst. Robert Schoemacher, Koert-Jan de Bruijn en Mari van de Ven eten gewoon elkaar op. Weer drie sterren minder.

SBS6 kan zo nog jaren door. Het lelijke eendje van de Nederlandse televisie neemt zo de nobele taak op zich om het medialandschap eens even goed op te schonen. De man die het allemaal aan elkaar praat, Gerard Joling, wil ik wel graag bewaren voor dit soort programma’s. Natuurlijk, een hol format als ‘Sterren waterboarden Gerard Joling’ kan wel maar verder is het van belang dat hem niets overkomt. Er moet namelijk iemand zijn die bovenstaande bagger aan elkaar wil gieren.




vrijdag 15 februari 2013

Doemscenario



Een grote groep mannen zit met gebogen hoofd in een afgesloten, koele ruimte. Sommige mannen prevelen wat maar de meeste zijn stil. Dan gaat, totaal onverwachts, de deur open.

‘Wel rodondendron!’, verzucht de oudste man in het vertrek, ‘Joseph, wat doe jij hier?’
‘Ik dacht, ik kom eens even langs. Even buurten. Het is koud in mijn kamer en er is niemand.’
‘Ja maar Joseph, dat is een beetje je eigen schuld, jij wilde stoppen.’
‘Ik dacht dat ik jullie daar een plezier mee deed!’
‘Ja, dat deed je ook. En ons niet alleen trouwens.’
‘Het is koud op mijn kamer en er is niemand!!!’, zegt Joseph nu op zeurende toon.
‘Nee, nogal wiedes, we zitten allemaal hier. Jouw idee hoor. Hoe kom je eigenlijk binnen?’
‘Ik was in de buurt.’
‘Ja, nogal logisch dat je in de buurt was. Jij wil hier blijven wonen!’
‘Als voormalig sleutelbewaarder had ik nog een setje reservesleutels’, zegt Joseph olijk terwijl hij naar de andere aanwezigen knipoogt.
‘Ah, nee hè! Echt? Een setje of meerdere?’
Joseph grinnikt. ‘Wie het weet mag het zeggen.’
‘Joseph, dit is geen moment voor grapjes. Trouwens, je maakte nooit grapjes dus waarom nu ineens wel?’
‘Pompidompidom’, mompelt Joseph vrolijk.
‘Joseph, dit is een ongelooflijk serieuze zaak. Zou je de deur willen dichtdoen en vertrekken?’
‘Lalalalala.’
‘Joseph, kappen nou!’
‘Goed dan’, zegt Joseph, ‘ik heb een ietsiepietsie spijt misschien.’
‘Te laat Joseph! Te laat!’, buldert de oude man nu door de ruimte. Hij is overduidelijk zijn geduld aan het verliezen.
‘Okay, okay. Ik ga al. Maar mag ik mijn ring misschien wel terug?’
‘Nee! Die ring is kapot! Het was jouw beslissing om het bijltje er bij neer te gooien!’
‘Mijn kleren dan? Wit staat mij supergoed!’
‘Nee, nee, nee!’
‘Hallo zeg, ik wist niet dat je kwaad werd. Ik ben al weg hoor.’
‘Mooi. En laat je sleutels achter.’
'Is al goed. Is al goed. Stank voor dank noemen ze dit bij ons in Beieren. Mag ik nog een adviesje geven? Ik ben er nu toch.’
‘Als je daarna weg gaat!’
‘Ik zou niet die neger nemen.’
‘Joseph, nou is het genoeg! Opsodemieteren!’
Joseph geeft de sleutels aan de oude man. Op het moment dat de oude man de sleutels aan wil nemen pakt Joseph zijn hand.
‘Ich habe es echt niet gewusst hoor’, zegt hij gnuivend en overdreven knipogend.


Joseph schuifelt naar achteren het vertrek uit. Vlak bij de deur maakt hij een onverwachte beweging die in de verte iets weg heeft van de danspassen van Michael Jackson. De beweging eindigt met een hand in zijn kruis.
‘Who’s bad?!?’ roept hij vragend door de ruimte. Dan trekt hij de deur achter zich dicht. Het is tijd voor bezinning. Voor even dan.





woensdag 13 februari 2013

'Kus, anonimpje', een Valentijnsverhaal

Ik was vooral opgelucht dat de Valentijnskaart op tijd was bezorgd en op mijn deurmat lag. Vorig jaar stuurde ik mezelf ook een kaart maar deze kwam twee dagen te laat. Ik had flink mijn best gedaan op de tekst maar was daardoor op het laatst even de scherpte verloren. Helemaal onderaan had moeten staan ‘Kus, anoniempje’ maar er stond ‘Kus anonimpje’.
Anonimpje!
Naast het sturen van een kaart verstopte ik ook elk jaar een roos voor mezelf. Maar door de stress over het al dan niet te laat binnenkomen van de kaart en de spelfout wist ik nu niet meer waar! De afgelopen jaren had ik op veilig gespeeld en de avond voor Valentijnsdag een roos op de badkamerspiegel geplakt. Ik had besloten tot deze veilige plek nadat ik een keer van de weeromstuit had besloten om een roos op mijn kussen te leggen. Toen ik later die avond naar bed ging en mijn hoofd op het kussen legde wist ik eerst niet goed wat ik voelde totdat ik me realiseerde dat ik met mijn gedraai mijn wangen aan het openhalen was.
Terwijl ik mijn hoofd brak over de verloren roos liep ik naar mijn schuurtje om de fiets te pakken en wat boodschappen te gaan doen. Op de tast ging ik op zoek naar mijn fietsstuur en, inmiddels stevig omklemd, wist ik weer waar ik de roos had verstopt. Om mijn fietsstuur. Het voelde alsof iemand mijn hand vastpakte en langs het prikkeldraad trok. Met een hand vol doornen en onder het bloed zette ik koers naar de huisarts. Achter de balie zat een nieuwe assistente. Net als ik achter in de twintig en veel te vrolijk voor de tijd van het jaar. ‘ Hoi’, zei ze, ‘Sabine.’
‘Nee hoor’, zei ik, ‘Matthijs’.
Ze moest lachen. Ze vond het een leuk grapje zei ze. Ik zei dat het geen grapje was. Ze moest nog harder lachen en wees naar mijn hand.
‘En dat nog wel op Valentijnsdag!’, riep ze. ‘Post gekregen?’
‘Ja, van mezelf.’ Sabine keek even weg.
‘Wat is er met je hand?’, vroeg ze.
Ik vertelde haar over de roos.
Sabine keek me even aan. De blik die ze in haar ogen kende ik niet. Het was geen medelijden maar ook geen leedvermaak. Ze pakte een visitekaartje van de dokter. Ze schreef een 06-nummer op.
Ik zei dat ik al een 06-nummer had en ze begon weer te lachen.
‘Alsjeblieft’ zei ze, ‘toch nog een kaartje vandaag.’
’s Avonds zat ik na het eten van een kop soep op de bank. Met mijn gezonde hand pakte ik mijn telefoon en repeteerde nog een keer het ingestudeerde 06-nummer. Daarna toetste ik met mijn neus de cijfers in.

zondag 27 januari 2013

Station Haarlem in de ochtend



Om bij mijn werk te komen moet ik ’s ochtends, even voor acht uur, door de hal en lange gang onder het station van Haarlem. De stationshal is zo vroeg in de ochtend een op zichzelf staande microkosmos waar, als je goed om je heen kijkt, meer dan genoeg te zien is. Het begint al vóór de ingang waar een vrouwtje op een krukje probeert een accordeon te bespelen. Ik zeg bewust ‘probeert’  want ondanks het feit dat ze dit elke dag doet, en ook elke dag hetzelfde deuntje speelt, zit er verdomd weinig progressie in de dikke vingers die hun weg over de toetsen zoeken. Vlak voor de ingang, bij de deuropening, staat Peter. Peter deelt de Spits uit. Of Peter ook echt zo heet weet ik niet. Ik vind het in ieder geval een ontzettende Peter. Peter is niet zo goed in gezichten. Of erg hardnekkig. Ruim driehonderd keer heb ik beleefd de Spits geweigerd. Elke keer kijkt Peter een beetje beteuterd. ‘Sorry’, mompel ik dan en loop de hal binnen.

Daar waar de brede hal overgaat in een smallere en lange gang is het noodzakelijk extra alert te zijn. Via deze trechterconstructie, en ook in de gang naar de sporen zelf, vliegen de mensen om je heen die proberen een trein te halen. Het is veiliger om een kanon af te schieten in de volle hal dan je een weg te banen door een haastige menigte. Een kanonskogel wijkt tenminste niet van zijn baan af. De haastige mens wel. Die is als water en zoekt altijd de kortste weg. Tegen het einde van de lange gang, daar waar het weer overgaat in de stationshal aan de overzijde zit een Etos. Daar staat een meisje dat me, toen ik een doosje aspirines kocht, vroeg of ik er water bij wilde om ze mee in te nemen. Heel attent van haar. ‘Nee’, zei ik, ‘ik neem ze nu nog niet in. Ik wacht liever op een heel speciaal moment.’

Tegenover de Etos is de Albert Heijn To Go. De AH To Go is een soort Albert Heijn maar dan een keer zo duur en met een te gladde vloer. Achter de kassa staat een jong, donker meisje dat Henk heet. Haar collega, ook een jong meisje die kijkt alsof ze net wakker is en haar mond altijd een beetje open heeft staan, heet Samuel. Bij de AH To Go op station Haarlem is het beleid dat je een naambordje draagt. Wat daarop staat is van ondergeschikt belang. Vriendelijk zijn ze wel. ‘Tot ziens’, zegt Joyce altijd. 'Jij ook een fijne dag', zeg ik dan tegen de jongeman.

Voor de AH To Go zit de verkoper van de daklozenkrant. Nog nooit zag ik iemand zo ongeïnspireerd iets verkopen. Hij roept keihard ‘Straatjournaal’ maar alleen als het hem uitkomt. Het lijkt of zijn uitroep reageert op een interne wekker die elke tien minuten een seintje geeft dat de man moet roepen. Ongeacht of er mensen zijn. Meer dan eens hoorde ik een loeihard ‘ Straatjournaal’  achter me. Als ik dan geschrokken omkijk is er niemand. Vlak voor me gaan de deuren automatisch open. De frisse buitenlucht komt me tegemoet. Ik ontwijk nog een of twee aanstormende forenzen, weiger ook aan de achterkant van het station vriendelijk de Spits en stap naar buiten.
Mijn dag kan beginnen. 

vrijdag 18 januari 2013

Livewrong

We zijn op de helft van het interview tussen Lance Armstrong en Oprah Winfrey. Beiden al een tijdje gestopt met waar ze goed in waren en beiden over hun hoogtepunt heen. In een Holiday Inn-achtige hotelkamer geeft The Boss toe dat hij alles heeft gebruikt dat verboden was. Epo? Yes. Bloedtransfusies? Yes. Cortison? Yes. Als Oprah nog even had doorgevraagd had ze waarschijnlijk veel meer losgekregen. Kwik? Yes. Vloeibaar lood? Yes. Asbest? Yes, maar alleen gesnoven.

In de keurig bij de kleur van het papier uitgekozen jurk, laat Oprah Armstrong leeglopen als een fietsband die over een paar kapot geslagen ampullen met doping is gereden. Of Lance ook een bedrieger was. Hij vond van niet. Voor de zekerheid had hij in het woordenboek de definitie van het woord ‘bedriegen’ maar even opgezocht. Waarschijnlijk had hij daarna het boek weer dicht geklapt wat een gemiste kans is want beter had hij ook de definities kunnen opzoeken van ‘manipulatief’, ‘bipolaire stoornis’ en ‘bescheiden’. Zo maar wat woorden en termen die de man wellicht wat inzicht zouden kunnen geven.
Het rapport van de USADA noemde de ploeg rondom Lance Armstrong de meest geavanceerde dopingmachine aller tijden. Nou, daar dacht hij zelf anders over. Want wat te denken van  de Oost-Duitsers in de jaren 80? Toen wonnen vrouwen met baarden en mannen met complete vachten op allerlei sportdisciplines. Misschien heeft hij daar wel gelijk. Misschien ook scheert hij zich gewoon heel goed.

Een van de door Armstrong in het verleden aangevallen personen is Betsy Andreu, de vrouw van oud-prof en ploeggenoot van Armstrong, Frankie Andreu. Ja, hij had haar een gek genoemd. Ja, hij had haar een trut genoemd. Maar nee, nee, nee, hij had niet gezegd dat ze dik was. Dat wilde de kampioen wel even zeggen. Even een puntje maken in zijn eigen voordeel. Zeven keer de Tour winnen als een reizende apotheek op een fiets? Prima. Mensen bedreigen en aanklagen die de waarheid spreken? Ook prima. Maar tegen Betsy Andreu zeggen dat ze dik is, nee, dat ging hem te ver.
Ook gaf hij aan altijd het gevoel te hebben gehad met zijn rug tegen een muur te staan. Hij was, in zijn eigen woorden, hierdoor een vechter geworden. De muur achter Armstrong is nu weggevallen met een donderend geraas. Het biedt zicht op de toekomst en als je maar met een weidse blik durft te kijken zie je Armstrong niet eens meer staan.

woensdag 9 januari 2013

Dorpsgek

De dorpsgek van Vaticaanstad mocht gisteren aanschuiven bij Pauw en Witteman. Pastoor Harm Schilder haalde het nieuws omdat hij het lumineuze idee had opgevat om, van de mensen die zich bij zijn parochie wilden uitschrijven, foto’s op te hangen in het voorportaal van de kerk. Hij hoopt op deze manier dat de uitgebroken schapen weer terugkeren binnen de kerk nadat zij bezoek hebben gehad van parochianen die nog wel heil zien in diezelfde kerk. Schilder gaat verder met een goede Nederlandse traditie van klikken en verlinken. Onwelgevallige mensen mogen best bekend worden gemaakt. Heel vroeger had je daarvoor al de zogenaamde schandpaal. In een recenter verleden werden vrouwen die een nachtje hadden doorgehaald met een Oosterbuur gratis naar de kapper gestuurd en nu hangt Schilder de foto’s op van mensen die bijvoorbeeld voor het homohuwelijk of de verspreiding van condooms zijn.  

Het is niet de eerste keer dat Schilder zich mag verheugen op de aandacht van de media. Een paar jaar geleden haalde hij het nieuws omdat hij de kerkklokken van zijn kerk in Tilburg al voor half acht ’s ochtends wilde luiden. De buurt was daar fel op tegen. Iets wat ik overigens niet begrijp want een pastoor die alleen maar met zijn eigen klokkenspel speelt zou wel wat meer credits mogen krijgen.

In 2010 kwam de pastoor uit de kast. Ho, nee! Niet uit die kast. Maar meer een kast in de vorm van een stemhokje. Op televisie gaf hij zonder blikken of blozen toe dat hij PVV had gestemd. De partij is volgens hem best wel voor naastenliefde, alleen voor de een iets meer dan voor de ander. Gelukkig stond Schilder aan de goede kant en ik hoop voor hem dan ook dat de naastenliefde met bakken over hem heen komt. Logsich dat deze man PVV stemt. De partij van Wilders ziet de Islam niet als een godsdienst maar als een ideologie. Gewonnen wedstrijd dus voor Schilder. En dat zonder het speelveld maar te hoeven betreden!
Even terug naar zijn meest recente idee. Hij hoopt dat zijn medestanders bij de satanisten op bezoek zullen gaan waar zij onder het genot van koffie en mariakaakje de mensen weer in de warme schoot van de kerk proberen te krijgen. Zelf heeft hij daar geen tijd voor. Want die klokken móeten luiden en een xenofobe instelling eist ook nogal wat aandacht op. Bovendien krijgt hij het waarschijnlijk de komende tijd druk met het ophangen van foto’s.

Ergens, hier ver vandaan, in Vaticaanstad wordt ook een foto opgehangen. Een foto van Harm Schilder met het verzoek om snel naar huis te komen. De dorpsgek wordt gemist in de ministaat. Ik hoop dan ook dat dit bericht hem zal bereiken. Dat er mensen zijn die hem ervan willen overtuigen dat het echt beter is om weer terug te keren in de moederschoot en daar ook te blijven. Geef het aan hem door als u hem ziet. Het is voor iedereen het beste.