Voor aanvang van de klim werden we gewaarschuwd voor de
weersomstandigheden. Heel in de verte kwam een donker dekbed door de hemel
aandrijven maar de top van de berg zelf was vanuit Bédoin goed te zien. De ruim
21 kilometer lange klim begon relatief gemakkelijk. Na vier kilometers door
open velden vol klaprozen te hebben gefietst maakt de weg een scherpe bocht
naar links en doemde Het Bos op. Het Bos is een grote slapende sluipmoordenaar
met een lengte van twaalf kilometer en een stijgingspercentage dat niet onder
de negen procent uitkomt. De moordenaar kan elk moment wakker worden en het is
zaak om rustig op je fiets te blijven zitten en in stilte te stijgen. Elke
kilometer die je dichter bij de top komt wordt gemarkeerd met een paaltje
waarop de nog af te leggen afstand staat samen met het stijgingspercentage van
de komende kilometer. Met de kilometerpaatjes als stille getuigen heb ik in Het
Bos een aantal keer overwogen om af te stappen. Het was te zwaar, te lang, te
uitzichtloos ook. Achter elke bocht doemde een nieuwe strook asfalt op. Even
genadeloos als de vorige en minstens zo lang ook. Na een kilometer of zes in
Het Bos had ik een tempo te pakken. Het was veel langzamer dan ik beoogd had
maar dat was op niets gebaseerd. Nooit eerder beklom ik een berg waardoor een
gemiddelde van tien kilometer per uur een idylle bleek te zijn. In een fors
wandeltempo herpakte ik mezelf en naderde de kruinen van de loofbomen. Met elke
meter die ik klom daalde de temperatuur.
Op zes kilometer onder de top, als de contouren van het
beroemde Chalet Reynard zichtbaar worden, neem je de sprong van de aarde naar
de maan. De alles vernietigende wind die om de berg heen raast heeft boven de
boomgrens de berg kaal geslagen tot een maanlandschap. In de verte doemde de top al op. Ik was ervoor
gewaarschuwd; de top zien betekent niet dat je er ook al bijna bent. Halverwege
de maan, tussen de aarde en de top, begon het te sneeuwen. Voorzichtige vlokken
verkenden de omgeving waarin ik reed. Nadat de vooruitgeschoven troepen het
signaal hadden doorgegeven dat de kust veilig was scheurde het grijze dekbed
boven mijn hoofd los en liet haar witte vlokken eindelijk los. Het zicht was
inmiddels teruggebracht tot niet meer dan twintig meter. Om mij heen veranderde
de flanken van de berg in grote witte bladzijden waarop ik mijn verhaal aan het
schrijven was. Mijn verhaal dat met een later invallende dooi zou wegsmelten maar
waarvan de blauwdruk voor altijd in mijn hoofd gegrift staat.
Rechts van mij ontwaarde ik het monument voor Tom Simpson.
Met nog 800 meter te gaan was hij gestrand. Ik fietste door. Met mijn mond
geopend en een oog gesloten tegen de sneeuw ploegde ik voort op een weg die
gladder en gladder werd.
De allerlaatste bocht. Vanuit mijn ooghoeken zag ik, in een
wereld waarin alles om mij heen bewoog, het weerstation met de rood-witte mast er
bovenop als baken van rust. Het laatste stuk, de finale veertig meter kon ik
niet meer fietsen. IJs en sneeuw maakten van de weg een decor waar de banden
van mijn racefiets zich geen raad mee wisten. Het laatste stuk legde ik lopend
af. Ik parkeerde mijn fiets tegen het gebouw op de top, maakte een foto van
mezelf en het paaltje welke aangaf dat ik op de top stond, en zocht een warm
heenkomen. In het winkeltje op de top zag ik mijn blote benen steeds roder
kleuren terwijl het gevoel in mijn vingers weer langzaam richting de
vingertoppen kroop. Ik trof er een andere wielrenner. Ook aangedaan door het
natuurgeweld maar nog helder genoeg om enkele souvenirs in te slaan. Zelf had
ik geen geld bij me. De fietser, een Vlaming, was zo vriendelijk om voor mij
een blikje cola te kopen. De top van de Mont Ventoux verbroedert. Zeker bij het
soort weer waarin je het alleen niet redt.
De afdaling, nadat de sneeuwstorm was gaan liggen, voelde
aan als een achtbaanrit door een reuzevrieskist. Lopend waar het moest en
fietsend waar het kon, bibberde ik me een weg naar beneden. Naar het chalet. Naar
de warmte.
Ik was op de top geweest. Op het dak van de Provence. Alle beelden
boven waren in zwart en wit. En grijs, heel veel grijs. Langzaam kwamen de
kleuren weer terug. In mij en om mij heen. Geen seconde heb ik het idee gehad
dat ik de berg bedwongen had. Nee, de berg heeft het mij toegestaan om op de
top te komen. En ze heeft me daarmee een ervaring gegeven die ik nooit meer zal
vergeten. .jpg)