Regelmatig denk ik aan hem. Als ik zijn foto zie in mijn
kast die we kregen na de uitvaart. Maar ook als ik in Haarlem een hele dikke
man, wiens hoofd naadloos overloopt in zijn dikke nek, zie rondrijden op een
scootmobiel. Deze dikke man zag ik voor het eerst rijden vlak nadat ik het
doodsbericht had ontvangen. Mijn eerste gedachte was ‘waarom hij niet en waarom
E. wel’. E. was nog geen zestig, stond midden in het leven en had tot vlak voor
zijn dood een knetterende gezondheid waardoor hij onder andere per ligfiets van
Cairo naar Kaapstad kon reizen. Dwars
door Afrika.
De dikke man in de scootmobiel zou de grenzen van Haarlem
waarschijnlijk niet eens bereiken met zijn gemotoriseerde voertuig; laat staan
met een fiets. Voordat E. overleed had ik de man in de scootmobiel nog nooit
gezien, althans, hij was me niet opgevallen. Nu wel, nu zie ik hem elke week
wel ergens rijden. Langs het Spaarne, door de Grote Houtstraat, door het leven.
Het afgelopen jaar sloeg mijn frustratie wanneer ik hem zag
om in dankbaarheid. E. is dood en komt niet meer terug. Ook niet als de dikke
man in de scootmobiel zijn wagentje onder een bus parkeert of hij ten onder
gaat aan zijn eigen lichaamsgewicht. Elke keer als ik hem nu zie rijden is E.
weer even terug in mijn gedachten. Even minder dood. Dat is het kleine,
onbewuste, cadeau dat de man met zijn scootmobiel mij geeft. Dood ben je pas
als je bent vergeten zong Bram Vermeulen. Ik hoop dat de man in zijn
scootmobiel nog lang niet dood gaat.