Toen ik in 2004 als redacteur aan de slag ging voor een
nieuw programma van Paul de Leeuw had ik kort daarvoor, als redacteur van een
ander programma, Rowan Atkinson een hand gegeven. En ja, daar was ik erg trots
op. Zo trots dat ik het graag wilde delen met mijn collega’s op de redactie van
het programma PaPaul. Voordat ik Atkinson een hand schudde had ik mezelf eerst
mooi aangekleed en was ik naar de première van zijn film ‘Johnny English’ in
het prachtige Tuschinski gegaan. Na afloop van de dramatisch slechte film,
waarbij ik meerdere malen tegen de slaap vocht, was er een zogenaamde
afterparty in Hotel de l’Europe waar ook de ster van de avond zelf aanwezig zou
zijn. Even binnen zag ik hem gauw staan. In een hoekje met een drankje in de
hand stond Atkinson wat obligate praatjes af te werken met mensen die net als
ik zich een weg door de film hadden geworsteld. Toen hij even alleen stond en
een slok uit zijn glas wilde nemen zag ik mijn kans schoon. “Good evening
mister Atkinson, congratulations with this beautiful movie you’ve made”,
huichelde ik in mijn beste Engels. Tegelijkertijd stak ik mijn hand uit. Hij
beantwoordde mijn hand automatisch en zei: “Yes, thank you, the movie is
allright”. Iets eerlijker kon ik nu beamen dat de movie inderdaad allright was.
Het benaderde in ieder geval meer de waarheid dan het compliment waarmee ik op
hem af was gestapt met als enige doel een hand van hem te krijgen.
Natuurlijk was het verhaal dat ik in mijn hoofd had om aan
mijn nieuwe collega te vertellen niet helemaal waarheidsgetrouw. Ik zou haar
niet vertellen dat ik als een roofdier had staan wachten tot de prooi Atkinson
even alleen stond zodat ik hem, met een leugen als excuus, een hand kon geven.
Nee, ik had de acteur gewoon ontmoet na afloop van zijn film, een kort praatje
met hem gemaakt en, o ja, en passant ook nog een hand gegeven.
Om mijn verhaal een beetje in te kleden wilde ik eerst mijn
collega vragen wie dan wel de beroemdste persoon was die zij ooit een hand had
gegeven. Zodat ik, als zij Danny de Munk, Frans Bauer of Henk Jan Smits had
gezegd, het kon toppen met Rowan Atkinson.
Nadat ik mijn vraag gesteld had dacht ze even na. “O”, zei
ze toen, “dat was in de periode dat ik een programma maakte met Ruud Gullit.” ‘Ruud
Gullit’ dacht ik even bezorgd maar daarna was ik ervan overtuigd dat Atkinson
toch echt wel groter was. “Ruud Gullit dus. Of een andere voetballer?”
“Nee”, zei ze terwijl ze voor zich uit naar het beeldscherm
bleef kijken en haar vingers over de toetsen van het toetsenbord dansten. “Nee,
ik was daar met Ruud Gullit.” Een beetje ongeduldig geworden vroeg ik haar wie
dat dan wel was. Ik moest namelijk zelf ook door met werken en wilde mijn
ontmoeting met Atkinson met haar delen. “Wie dan?, vroeg ik.
Ze keek even op van haar beeldscherm, haar vingers stopten
met dansen toen ze zei: “Nelson Mandela. Bij hem thuis in Zuid-Afrika.”
Ik probeerde weg te sluipen bij haar bureau. Ze had verdorie
de allergrootste ontmoet. “En jij”, vroeg ze nog heel lief en geïnteresseerd.
“Ah joh, laat maar, niet belangrijk toch… Iemand nog koffie?”