maandag 16 juli 2012

Rutger Kopland

Ik heb hem twee keer kort gesproken. Een keer aan de telefoon en een keer tijdens een poëziefestival in Deventer. Nee, dat is niet helemaal waar. Drie keer sprak ik kort met Rutger Kopland. Ik belde hem eenmaal en niet lang daarna belde hij terug. In mijn hoedanigheid als redacteur van een programma met Paul de Leeuw belde ik hem op met de vraag of hij voor Sinterklaas een gedicht wilde schrijven. Hij nam de telefoon op met ‘Van den Hoofdakker’. Hij wilde even nadenken over het voorstel en zou me kort daarna terugbellen. Toen hij kort daarna al terugbelde stelde hij zich voor met ‘Kopland’. Wonderlijk dacht ik. Hij zei het een grote eer te vinden maar er niet de tijd voor te hebben. Te bescheiden naar mijn mening om een gewoon ‘nee’ te verkopen. Heel kort sprak ik hem een klein jaar later in augustus 2005 een paar maanden voor zijn afschuwelijke ongeluk in december van dat jaar. Als een verlegen puber schuifelde ik aan de tafel voorbij waar hij zat te signeren en ik opende een net gekochte bundel met de vraag of hij zijn handtekening erin wilde zetten. Hij maakte een kwetsbare indruk. Een prachtig kwetsbare en breekbare indruk zoals hij die ook in zijn poëzie aan de dag legde. Gevoelig, teer en ogenschijnlijk simpel waren zijn gedichten. Hij signeerde. Maar met het verkeerde jaar. Zijn handtekening plaatste hij volgens het zwijgend papier niet in 2005 maar in 2004. Prima dacht ik. Mooie man. Nu is na Komrij ook Kopland overleden. Het is net alsof, met het dovend cultuurbeleid in Nederland, ook haar vaandeldragers sterven.