zaterdag 29 januari 2011

Verslag van een Zenretraite

Op de boot naar Ameland zakte de moed, die al tot mijn enkels was gedaald, me volledig in de schoenen. Waar was ik aan begonnen? Ik had me opgegeven voor een retraite via Zen.nl. Bij het horen van het woord retraite schieten bij de meeste mensen termen als rust, contemplatie en inzicht te binnen.
Maar een zenretraite, of sesshin zoals het binnen zen genoemd wordt, was, zoveel wist ik al wel, veel meer en veel zwaarder dan je van tevoren kon bedenken.
Aangekomen op een kruispunt in mijn leven was het mijn intentie om eens goed, diep en eerlijk bij mezelf naar binnen te kijken en mijn ogen niet af te wenden voor dat wat naar boven zou komen bubbelen. Toen de boot aanmeerde had ik, door eerder genoemde intentie als een soetra voor mezelf te reciteren, net genoeg moed verzameld om het avontuur aan te gaan.

Het programma begon zondag aan het eind van de middag en zou tot de eerstvolgende zaterdagochtend duren. Vijf volle dagen gevuld met mediteren en stilte.
Het regime deed Spartaans aan. Volledige stilte, geen oogcontact, opstaan om vijf uur, mobiele telefoons inleveren en tot mijn milde teleurstelling bleek ook de televisie op de kamer te zijn gedemonteerd waarmee mijn laatste hoop op een dagelijkse portie nieuws de kop in werd gedrukt. Alle omstandigheden waren gecreëerd om zo dicht mogelijk bij jezelf te komen en te blijven voor de duur van de sesshin.

Alle dagen begonnen na koffie en thee met het reciteren van een aantal soetra’s. Op een klein onderhoud met de zenmeester na was dat het enige geluid dat mijn stembanden produceerden op een dag. In een van de soetra’s wordt Kanzeon aangeroepen. Zij is voor het (zen)boeddhisme wat Maria is voor de Christelijke traditie. Om ervan overtuigd te zijn dat ze ons ook kan horen werd het reciteren geleidelijk steeds harder en eindigen we schreeuwend om onze oermoeder rond een uur of zes in de ochtend. Meteen na de soetrazang was het tijd voor de eerste twee meditatiesessies van 25 minuten die van elkaar werden gescheiden door een loopmeditatie van ongeveer vijf minuten.

De eerste paar keer in kleermakerszit gingen nog wel maar al snel bleek dat mijn lichaam ook wel eens in een andere positie wenste te zitten. Spiergroepen waarvan ik niet wist dat ze bestonden lieten van zich horen. Op het moment dat de pijn in mijn schouders wat weg leek te trekken begonnen mijn knieën op te spelen. Als mijn knieën voor het moment aan de houding gewend leken te zijn geraakt startte de pijn in mijn bovenarmen en zo ging er een constante pijngolf door mijn lichaam die de hele week aanhield.

In totaal mediteerden we ongeveer zes en een half uur per dag waarvan veertig minuten buiten in de vrieskou. De sessies buiten waren gelukkig de laatste sessies van de dag dus wanneer je je hier goed doorheen sloeg wachtte een comfortabel bed om je pijnlijke lijf ten ruste in te leggen.

Om half acht ’s ochtends, half één en half zes zijn er maaltijden. De middagmaaltijd is een warme lunch met dessert. Het avondmaal is een kommetje soep. Vlees werd er niet genuttigd. Nu kan ik best een paar dagen zonder vlees maar wanneer dit structureel vervangen wordt door smakeloze tofu begint het verlangen naar een saucijzenbroodje op de boot terug naar het vaste land haast epische vormen aan te nemen.
Ook eten deden we in stilte. De dagelijkse soepmaaltijden werden gedomineerd door linzen en bonen en werden flink heet geserveerd. Ik zag hoe mijn buurvrouw het wereldrecord hete soep eten verbrak maar er helaas niets over kon zeggen. Net zomin ik dat kon wanneer ik voor de derde keer in een week mijn mond aan de soep verbrandde.

Gedurende de dag zijn er een aantal pauzemomenten. Niet meer dan een half uur om even koffie of thee te drinken en de stramme ledematen te strekken. Ik maakte van de gelegenheid gebruik om de frisse lucht in te gaan en mijn ontwakende geest van genoeg zuurstof te voorzien. Met mij deden vele anderen, volledig in het zwart geklede, mede-sesshingangers dat ook. Hun blikken zijn serieus en in zichzelf gekeerd. Zo zeer zelfs dat het me af en toe tegenstond. Met z’n allen bepleiten we een betere wereld maar gedurende de week zijn we vooral met onszelf bezig. Toen ik per ongeluk toch even oogcontact had en uit gewoonte glimlachte bleef het gezicht van de tegenpartij strak in de plooi. Een gevoel van teleurstelling en ‘niet gezien worden’ kon ik niet onderdrukken.

Omdat praten taboe was, is het onmogelijk om de zaken die je tegenkomt op je zoektocht met de anderen te delen. Net zomin als dat het mogelijk was om ook even van anderen te horen dat ze verschrikkelijke pijnen hadden. Als uitlaatklep lagen er schriftjes voor ons klaar waar driftig in geschreven werd. Niet alleen om stoom af te blazen of nieuwe inzichten op te schrijven maar ook om aantekeningen te maken bij de lezingen, teisho’s, die onze zenleraar Rients Ritskes, eenmaal per dag gaf. Met het grootst mogelijke gemak zat hij ruim anderhalf uur in de lotushouding om ons te onderwijzen aan de hand van het thema van de sesshin; “Meer ruimte creëren in relatie tot jezelf”. De inspiratie voor deze lezingen haalde hij uit het boek ‘Sferen’ van de Duitse filosoof Peter Sloterdijk. We krijgen citaten mee waarin woorden stonden als ‘congeniaal’, ‘twee-eenheidverleden’, ‘interfaciaal’, ‘etnopoëtisch’ en ‘correlatieve dualiteit’.
Ik had al begrepen dat ongeveer 70 procent een universitaire achtergrond heeft en rond de veertig is. Ik ben 34, heb als hoogst behaalde diploma het papiertje van de HAVO en verdronk zo af en toe in het moeras van het idioom dat hier gehanteerd werd. Na afloop van de sesshin bekende mijn buurman, die mij tijdens de week zwijgend flankeerde gedurende de maaltijden, dat het soms ook boven zijn pet ging. Ik was dus niet alleen.

Dat ik niet alleen was geweest bleek ook toen we aan het eind van de week weer mochten spreken. De sesshin was ten einde gekomen en het enige dat ons nog restte was een feestontbijt. Mensen kwamen naar me toe om me uitgebreid te feliciteren met het behalen van mijn eerste sesshin en voegden er aan toe dat ze mij wel degelijk hadden zien lijden op mijn kussentje.

Ik was tijdens de week door alle fysieke en mentale pijn heen inderdaad tot allerlei inzichten gekomen en het was me gelukt om diep in mezelf af te dalen. Zelfs tot in de donkere hoekjes waar je liever niet komt. De vraag rest of ik de gevonden inzichten ook in de praktijk kan implementeren maar mijn gevoel zegt van wel.

Tijdens de terugtocht op de boot en knabbelend aan een saucijzenbroodje kwam het in me op dat ik een prestatie van formaat geleverd had. Van onze groep, die bestond uit ongeveer tachtig mensen, had maar een iemand opgegeven. Maar, en dat schoot me al etend te binnen, waren er op de zestien miljoen Nederlanders 15999920 mensen die de tocht überhaupt niet eens gemaakt hadden.