Ik ben het bijna verleerd, het wachten. Wachten doet me denken aan de grauwe zondagmiddagen van vroeger wanneer regenbuien tegen de ramen van mijn ouderlijk huis sloegen en je wist dat het een hele lange dag zou gaan worden. Een dag van wachten, wachten tot de dag voorbij zou zijn of de regen eindelijk zou stoppen.
Tegenwoordig is het wachten bijna uit mijn systeem verdwenen. En niet alleen uit het mijne. In de trein kijkt niemand meer wachtend naar buiten, naar niets, maar is men druk bezig de vingers in een moordend tempo over talloze touchscreens te laten glijden. Er wordt muziek geluisterd, gesproken met elkaar of getelefoneerd maar van wachten is geen sprake meer.
In de stad waar ik woon geven de verkeerslichten voor fietsers precies aan hoe lang je nog moet wachten. Vaak is dat net lang genoeg om nog even op mijn telefoon te kijken of er nieuwe mail binnen is gekomen. In de supermarkt waar ik mijn boodschappen doe is er het 'drie-in-de-rij-kassa-erbij' principe. Alles om het wachten tot een minimum te beperken.
Maar soms, soms moet je wel. Wachten. En geen telefoon, krant, boek of conversatie kan het wachten dan verzachten.
Aanstaande woensdag wordt mijn vader geopereerd. Mijn moeder, zus en ik kunnen dan niets anders doen dan wachten. Wachten op nieuws over de operatie van mijn vader die ervoor zorgde dat de grauwe zondagmiddagen van vroeger net iets aangenamer werden door het aanbieden van een glas 3 Es cola en een handvol chips uit een bakje van tupperware.