Ik was vooral opgelucht dat de Valentijnskaart op tijd was bezorgd en op mijn deurmat lag. Vorig jaar stuurde ik mezelf ook een kaart maar deze kwam twee dagen te laat. Ik had flink mijn best gedaan op de tekst maar was daardoor op het laatst even de scherpte verloren. Helemaal onderaan had moeten staan ‘Kus, anoniempje’ maar er stond ‘Kus anonimpje’.
Anonimpje!
Naast het sturen van een kaart verstopte ik ook elk jaar een roos voor mezelf. Maar door de stress over het al dan niet te laat binnenkomen van de kaart en de spelfout wist ik nu niet meer waar! De afgelopen jaren had ik op veilig gespeeld en de avond voor Valentijnsdag een roos op de badkamerspiegel geplakt. Ik had besloten tot deze veilige plek nadat ik een keer van de weeromstuit had besloten om een roos op mijn kussen te leggen. Toen ik later die avond naar bed ging en mijn hoofd op het kussen legde wist ik eerst niet goed wat ik voelde totdat ik me realiseerde dat ik met mijn gedraai mijn wangen aan het openhalen was.
Terwijl ik mijn hoofd brak over de verloren roos liep ik naar mijn schuurtje om de fiets te pakken en wat boodschappen te gaan doen. Op de tast ging ik op zoek naar mijn fietsstuur en, inmiddels stevig omklemd, wist ik weer waar ik de roos had verstopt. Om mijn fietsstuur. Het voelde alsof iemand mijn hand vastpakte en langs het prikkeldraad trok. Met een hand vol doornen en onder het bloed zette ik koers naar de huisarts. Achter de balie zat een nieuwe assistente. Net als ik achter in de twintig en veel te vrolijk voor de tijd van het jaar. ‘ Hoi’, zei ze, ‘Sabine.’
‘Nee hoor’, zei ik, ‘Matthijs’.
Ze moest lachen. Ze vond het een leuk grapje zei ze. Ik zei dat het geen grapje was. Ze moest nog harder lachen en wees naar mijn hand.
‘En dat nog wel op Valentijnsdag!’, riep ze. ‘Post gekregen?’
‘Ja, van mezelf.’ Sabine keek even weg.
‘Wat is er met je hand?’, vroeg ze.
Ik vertelde haar over de roos.
Sabine keek me even aan. De blik die ze in haar ogen kende ik niet. Het was geen medelijden maar ook geen leedvermaak. Ze pakte een visitekaartje van de dokter. Ze schreef een 06-nummer op.
Ik zei dat ik al een 06-nummer had en ze begon weer te lachen.
‘Alsjeblieft’ zei ze, ‘toch nog een kaartje vandaag.’
’s Avonds zat ik na het eten van een kop soep op de bank. Met mijn gezonde hand pakte ik mijn telefoon en repeteerde nog een keer het ingestudeerde 06-nummer. Daarna toetste ik met mijn neus de cijfers in.