dinsdag 10 december 2013

Jente

Jente was de oudere neef van Maarten met zijn hoge stem. Jente woonde niet in ons dorp maar in een enorm grote stad en Maarten met zijn hoge stem woonde nog maar kort bij mij in de buurt. Import dus. En met een hoge stem. Dat is geen gemakkelijke binnenkomer in een klein dorp met al zijn kritische kinderen waar ik er, met mijn tien jaren, een van was. Maar als Jente bij Maarten met zijn hoge stem was veranderde er iets. Maarten was twee jaar jonger dan ik, Jente één. Maar Jente was wel tien jaar stoerder dan ik was. Midden in ons buurtje lag een speeltuin met als voornaamste attractie zand. Totdat Jente een keer langs kwam. Hij maakte in de speeltuin een crossbaan. Heuveltjes, scherpe bochten en mul zand schoten onder de wielen van zijn fietsje door. Terwijl de zon langzaam onderging en de geur van vochtige coniferen de lucht bezwangerde scheurde Jente met een rood hoofd door de speeltuin. Ik keek er vol ontzag naar. Niet alleen naar Jente maar ook naar Maarten met zijn hoge stem want hij had een neef zoals Jente.

Zevenentwintig jaar later rijd ik op mijn gloednieuwe moutainbike over een speciaal aangelegd parcours in de Zandvoortse duinen pal naast het circuit. Ik waan me een beetje als Jente terwijl ik mijn hippe fiets over de smalle paadjes jaag en tegen de steile duinen op. De geur van coniferen heeft plaats gemaakt voor die van de gevaarlijk uitziende duindoornstruiken waarin het ongetwijfeld slecht vallen is. Ik ben weer even tien en minstens zo stoer als Jente die net als ik zijn benen afmat om de fiets nóg sneller te laten rollen. Een paar keer val ik en hoop op zichtbare maar niet al te pijnlijke wondjes als stille getuigen van mijn avontuur in de speeltuin aan zee.

Op Facebook zie ik dat Maarten met zijn hoge stem inmiddels in Londen werkt en een kindje heeft. Ik vermoed dat zijn stem een aantal octaven is gedaald. Jente, zo zie ik, woont in Amsterdam en kijkt nog altijd even stoer op zijn profielfoto als dat hij deed vlak voordat hij een zandheuveltje aanviel in de speeltuin. Ik ben zevenendertig en voel me, dankzij mijn fiets, het parcours, Jente, Maarten met zijn hoge stem, de speeltuin, de coniferen en de duindoorns een superstoer jongentje dat precies doet wat hij wil; keihard met een fiets door het zand scheuren.

 

zaterdag 7 december 2013

Iemand nog koffie?


Toen ik in 2004 als redacteur aan de slag ging voor een nieuw programma van Paul de Leeuw had ik kort daarvoor, als redacteur van een ander programma, Rowan Atkinson een hand gegeven. En ja, daar was ik erg trots op. Zo trots dat ik het graag wilde delen met mijn collega’s op de redactie van het programma PaPaul. Voordat ik Atkinson een hand schudde had ik mezelf eerst mooi aangekleed en was ik naar de première van zijn film ‘Johnny English’ in het prachtige Tuschinski gegaan. Na afloop van de dramatisch slechte film, waarbij ik meerdere malen tegen de slaap vocht, was er een zogenaamde afterparty in Hotel de l’Europe waar ook de ster van de avond zelf aanwezig zou zijn. Even binnen zag ik hem gauw staan. In een hoekje met een drankje in de hand stond Atkinson wat obligate praatjes af te werken met mensen die net als ik zich een weg door de film hadden geworsteld. Toen hij even alleen stond en een slok uit zijn glas wilde nemen zag ik mijn kans schoon. “Good evening mister Atkinson, congratulations with this beautiful movie you’ve made”, huichelde ik in mijn beste Engels. Tegelijkertijd stak ik mijn hand uit. Hij beantwoordde mijn hand automatisch en zei: “Yes, thank you, the movie is allright”. Iets eerlijker kon ik nu beamen dat de movie inderdaad allright was. Het benaderde in ieder geval meer de waarheid dan het compliment waarmee ik op hem af was gestapt met als enige doel een hand van hem te krijgen.

Natuurlijk was het verhaal dat ik in mijn hoofd had om aan mijn nieuwe collega te vertellen niet helemaal waarheidsgetrouw. Ik zou haar niet vertellen dat ik als een roofdier had staan wachten tot de prooi Atkinson even alleen stond zodat ik hem, met een leugen als excuus, een hand kon geven. Nee, ik had de acteur gewoon ontmoet na afloop van zijn film, een kort praatje met hem gemaakt en, o ja, en passant ook nog een hand gegeven.

Om mijn verhaal een beetje in te kleden wilde ik eerst mijn collega vragen wie dan wel de beroemdste persoon was die zij ooit een hand had gegeven. Zodat ik, als zij Danny de Munk, Frans Bauer of Henk Jan Smits had gezegd, het kon toppen met Rowan Atkinson.

Nadat ik mijn vraag gesteld had dacht ze even na. “O”, zei ze toen, “dat was in de periode dat ik een programma maakte met Ruud Gullit.” ‘Ruud Gullit’ dacht ik even bezorgd maar daarna was ik ervan overtuigd dat Atkinson toch echt wel groter was. “Ruud Gullit dus. Of een andere voetballer?”

“Nee”, zei ze terwijl ze voor zich uit naar het beeldscherm bleef kijken en haar vingers over de toetsen van het toetsenbord dansten. “Nee, ik was daar met Ruud Gullit.” Een beetje ongeduldig geworden vroeg ik haar wie dat dan wel was. Ik moest namelijk zelf ook door met werken en wilde mijn ontmoeting met Atkinson met haar delen. “Wie dan?, vroeg ik.

Ze keek even op van haar beeldscherm, haar vingers stopten met dansen toen ze zei: “Nelson Mandela. Bij hem thuis in Zuid-Afrika.”

Ik probeerde weg te sluipen bij haar bureau. Ze had verdorie de allergrootste ontmoet. “En jij”, vroeg ze nog heel lief en geïnteresseerd.

“Ah joh, laat maar, niet belangrijk toch… Iemand nog koffie?”