woensdag 12 september 2012

Hij is het niet meer

'Hij is het niet meer.’ Het is een veel gehoorde uitspraak als men voor de laatste keer afscheid heeft kunnen nemen van een geliefde. De dood trekt de plooien van het leven glad en legt de overledene haar eigen masker op. Gisteren was ik bij het laatste afscheid van een dierbare. Hij lag op zijn bed, de handen in zijn schoot. Het colbert lag donkerblauw over zijn keurig gestreken overhemd. Ik heb hem goed gekend maar herkende hem niet. In geen enkel opzicht lag daar de man die de laatste jaren van zijn leven een steeds vertrouwder gezicht was geworden voor mij en mijn familie. In de auto op weg naar de condoleance zocht ik hem. Ik zocht hem in drie ooievaars die achter elkaar op drie verschillende lantaarnpalen zaten. Ik zocht hem in de zonnestralen die zich met kracht een weg door de donkere wolken heen baanden. Eerder op de dag zocht ik hem op het strand. In de woest rollende golven. In de onheilspellende regenbui en daarna in de blauwe, met witte wolken ingekleurde, lucht boven de Noordzee. Ik zocht hem maar kon hem niet vinden. Zijn lichaam, hij is het niet meer. Zijn lijfelijke aanwezigheid voor altijd verloren. Hij is, zoals ze dat in Twente treffend en troostend zeggen, uit de tijd gegaan. De tijd staat stil. De tijd gaat door. Verdriet en hoop lopen als Jip en Janneke de laatste dagen hand in hand door mijn gedachten. Verdriet om zijn dood, om de onomkeerbaarheid van het sterven. Hoop is er op rust voor hem. Op geen pijn voor hem. Hoop ook op een goede plek voor het verdriet van de mensen die het dichtst om hem heen stonden. Hij is nergens meer. Hij is nu overal.