
foto: Monique Scuric
MIJN KEUS
De leren schoenen rechts achter, die bruine met die gespen, die zijn van mij.
Hoe de eigenaren van de andere schoenen heten weet ik niet. Ik ken alleen maar hun gezichten. Dat is genoeg. Namen zijn niet belangrijk.
In mijn leven heb ik nooit een keus gehad. Alles overkwam me of werd voor mij beslist. Samen met mijn broers verafschuwde ik het regime waarin alles voor ons beslist werd. We werkten harder dan de hoger geplaatsten en hun families maar zagen vol afgrijzen hoe zij de paleizen bouwden en in dure bolides over de boulevards van de hoofdstad reden.
Zes jaar geleden, vlak na het avondeten, hoorden we gerommel in de buitenwijken van de hoofdstad. Onze vader was juist naar het schuurtje gelopen om daar de door mij geplukte dadels te halen. Onze moeder schonk ons muntthee in. Het oppervlak van het theewater in onze mokken trilde licht. Naarmate het gerommel aanhield en dichterbij kwam ontstonden er kringen in het theewater en gutste bij mijn jongste broertje het hete theewater over zijn kindervingers.
Toen klonk er gesis dat overging in gefluit. Een hoog en piepend monotoon geluid. Daarna, heel even maar, een helder licht en toen een klap. Een droge harde klap. In de achtertuin zag ik de aarde opspringen.
Ik was twaalf en had nog nooit een dode gezien.
Het eerste lijk dat ik in mijn leven zag was dat van mijn vader.
De grond om hem heen kleurde razendsnel rood. Overal lagen granaatscherven en dadels.
Het verdriet over de dood van mijn vader kon ik alleen delen met mijn broers en mijn ontroostbare moeder. De andere mensen in de buurt hadden hun eigen doden te betreuren. In sommige gezinnen waren de vader en de moeder omgekomen. In andere gezinnen de jongste zoon.
Op deze sandalen, die mijn vader droeg toen hij stierf, liep ik als twaalfjarige, door het centrum van de stad. Elke dag telde ik de bruggen over de rivier. Elke week telde ik een brug minder. Soms leek het alsof de bruggen onder mijn tranen bezweken.
De schoenen van mijn vader waren mij veel te groot. Nu passen ze perfect. Ik ben erin gegroeid zoals ik het leven ben ingegroeid. Ik ben niet opgegroeid in het licht van de zon maar in het licht van de overschietende vliegtuigen, de explosies op de grond en de brandende auto’s. Dit is mijn leven zoals het uwe het uwe is. Ik had geen keus mijn leven te leven zoals ik dat wilde.
Tijdens de begrafenis van mijn vader raakte ik in gesprek met een voor mij onbekende man. Hij leerde me veel over mijzelf, mijn land, mijn God. Hij leerde me wat ik van mijn vader had moeten leren. Hij leerde me dat ik wel degelijk een keus heb. De keus die mijn vader nooit heeft kunnen maken.
De ultieme keus.
Daarom staan mijn schoenen nu daar.
De foto is niet in mijn land genomen maar in een land daar ver vandaan.
De foto is gemaakt voor mijn trotse moeder.
Aan mijn voeten draag ik nu hagelwitte Nikes.
Nikes zijn schoenen waar mensen zich geen vragen bij stellen.
Nikes zijn veilige schoenen.
Met Nikes aan mijn voeten ben ik niet gevaarlijk voor de mensen op straat, de mensen op het grote plein, de mensen op het station.
Naar dat station ben ik onderweg.
In een klein wit busje. Samen met de eigenaren van de andere schoenen op de foto. Net als ik dragen zij sportschoenen.
De nieuwe spijkerbroek knelt.
Het zojuist uit de verpakking gehaalde overhemd schuurt in mijn nek.
Mijn keus is gemaakt. Mijn eerste echte keus. De ultieme keus. Er is geen weg terug. Geen weg meer vooruit. Alleen nog maar de weg naar boven.
Het is stil in het busje.
Buiten staan de velden vol met rode tulpen.
Bloedrood.
Ik zie mijn vader liggen op de roder wordende aarde in onze tuin tussen dadels en granaatscherven.
We dragen allemaal een mobiele telefoon van een westerse maatschappij. Het afgaan van mijn telefoon zal het laatste zijn dat ik hoor.
Ik ben rustig.
Mijn keus is eindelijk gemaakt.