In de verte viel mijn oog op iets. Iets wits. Het leek wel een vlaggetje. Ja, het leek wel een vrolijk wit vlaggetje. Toen ik dichterbij kwam bleek mijn vermoeden waar te zijn. Het was niet zomaar een wit vlaggetje, nee, er stond ook nog iets op. 'Een boodschap' schoot het door mijn hoofd. De romanticus in mij drong zich op en vermoedde een liefdesboodschap. Zomaar, op een wit, een maagdelijk wit vlaggetje. Mijn hart ging iets rapper kloppen en ik versnelde mijn pas zodat ik kon lezen wat er stond.

De door de spanning opgeroepen romanticus in mij stierf een zachte dood toen de realiteit tot mij doordrong.
En ineens dacht ik aan een kleuter. Een kleuter die trots met zijn op school gemaakte zeilbootje was thuisgekomen. De boot zelf, een lege statiegeldfles, had hij verknipt. Met het zeil was hij maar een heel klein beetje geholpen door de juffrouw.
En ik dacht aan zijn moeder die, nadat ze de kleuter een goedenacht had gekust, het zeil van de boot had gescheiden en er kalm met zwarte stift haar boodschap op had gezet. Tegen haar man vertelde ze dat ze een ommetje ging maken. Terecht. De wijk waar ik dit vlaggetje vond leent zich perfect voor ommetjes. Tijdens het ommetje, in een steegje waar de schemer kalm over de tegels zakte voordat het bedolven zou worden onder het duister, had ze haar prooi gevonden. Een keer prikken was voldoende. Het bleek een voltreffer.
Ze liep voldaan terug naar huis. Haar kleuter lag in zijn bed en droomde. Hij droomde over hoe hij ooit, als hij later groot was, met zijn zelfgemaakte boot uit Nieuw Vennep weg zou varen.