maandag 22 maart 2010

Stilte

Gisteravond, iets voor achten, kwam ik in aanraking met de dood. Hij was even overal om me heen. Het was al gebeurd voordat ik me realiseerde wat er aan de hand was. Ik had wel iets gehoord maar pas doordat de trein waarin ik zat een noodstop maakte werd de volle omvang van dat wat was geschied me duidelijk.
Het begon te zoemen in mijn wagon. Het gezoem van mensen die ongewild betrokken waren geraakt bij iets vreselijks. Even daarna klonk het gezoem van de intercom en zoemde de conducteur dat het mis was. Het gezoem in de wagon nam toe. Mensen zoemden in hun telefoon zinnen als: '...een zelfmoordenaar', '... ben iets later waarschijnlijk', ... waarschijnlijk mis ik mijn aansluiting straks in Amersfoort' en '... maar dan krijgt de kat geen eten vanavond'.
Een jonge vrouw tegenover mij was wit weggetrokken. Als toevoeging op haar gelaatskleur zei ze er ook nog bij dat ze erg geschrokken was. Ik ook. Ik was ook geschrokken. Geschrokken en misselijk.
Het gezoem hield aan en werd een beetje gegiebel. Ongemak in een trein vol wachtende mensen. Ik dacht terug aan wat er kort daarvoor gebeurd was en dacht aan mensen die ik niet ken die deze avond nog bezoek zouden krijgen van de politie.
De mensen om me heen bleven praten, bellen en lachen maar het gezoem nam af. Het werd stil in de wagon. Het werd stil in mij en ik bedacht me dat dit de enige passende muziek is bij zo een drama.

dinsdag 16 maart 2010

De snor van Mouwe

Soms verdwijnen er dingen uit het straatbeeld zonder dat je er erg in hebt. Iets als de zweetbandjes bijvoorbeeld. Of de Simca. Je realiseert je pas dat je al jaren geen Simca meer hebt gezien als je er een ziet rijden.
Vanochtend had ik zo’n moment. Er liep op perron 1 een man met een heuse Henk Mouwe snor. Nu is Henk Mouwe ook al een tijdje uit mijn straatbeeld verdwenen en met hem verdween zijn volle borstelige snor. Het is een typische jaren tachtig snor. Hip in de eigthies maar al over z’n hoogtepunt in de jaren negentig.
De meneer vanochtend op het station blies de snor weer nieuw leven in door fier en monter, de snor parmantig vooruit gestoken, over het perron te lopen. Het is slechts een van de vele comebacks uit de jaren tachtig. Ik kijk alvast uit naar de eerste Simca die ik weer zie rijden.

maandag 8 februari 2010

El Padre Abraham, The Sequel

Ik heb een onregelmatige stoelgang. Sinds een paar uur. Sinds ik plompverloren, en zonder enige waarschuwing vooraf, werd geconfronteerd met de finale van het Nationaal Songfestival.
Aan het festival deden vijf onbekende acts mee die allen werden gecoacht door hele bekende Nederlandse artiesten die hun sporen inmiddels ruim hebben verdiend. En natuurlijk mag dan een wereldster als Grad Damen niet ontbreken. En dat deed hij dan ook niet.
Het festival werd gepresenteerd door Yolanthe Cabau van Kasbergen. Zeg maar de nieuwe Mies Bouwman maar dan niet. De vijf deelnemende acts brachten allen het lied 'Ik ben verliefd' van Padre Kartner ten gehore en een vakkundige jury moest vervolgens samen met het publiek uitmaken wie ons land in Oslo mag gaan vertegenwoordigen op het Eurovisie Songfestival. Eerst tijdens de halve finale en daarna, als er wonderen bestaan of geen Oost-Europa, de finale.
De jury bestond onder andere uit Tatjana. Tatjana heeft I Pod knallers als als Awaka Boy, The First Time en Buurman Wat Doet U Nu op haar naam staan. Naast Tatjana was ook George Baker lid van de jury. Een goede keus want niemand voelt de tijdsgeest beter aan dan de man die onlangs in 1975 nog een grote hit scoorde over een witte duif in the sky.
Nadat de optredens achter de rug waren maakte de jury haar voorkeur duidelijk. Twee stemmen gingen naar, hoe kan het ook anders, Sieneke, en de andere twee naar, hoe kan het ook anders, Loekz. Omdat het publiek voor een andere act ging moest El Padre zelf het verdict van Oslo tekenen. Hij moest kiezen tussen Sieneke en Loekz. Maar dat is lastig. Hoe doe je dat? De man die zo gewoon is gebleven wilde geen keus maken en besloot te gaan voor kop of munt. Uit zijn broekzak toverde hij een muntje. Gelukkig waren er maar twee gegadigden want als het er drie waren geweest sta je daar met je kop en je munt. Buiten beeld greep iemand in. El Padre moest zelf een keus maken. Hij stribbelde tegen. Heel even. Toen keek Yolanthe even zoals ze naar Wesley moet kijken en kreunde Kartner: 'Sieneke'. De munt was weer verdwenen in de nu ongetwijfeld knellende broek van Padre Abraham en Sieneke en haar gevolg maakten een vreugdedansje. Goed nieuws voor Sieneke. We zitten maar mooi al in de halve finale!

zaterdag 6 februari 2010

El Padre Abraham

Ja, sorry hoor. Maar soms zijn er mensen die me zo ergeren dat ze de moeite zijn om iets over te schrijven.
Een van die mensen is zonder enige twijfel, en de laatste paar weken met stip omhoog geschoten, Pierre 'Vader Abraham' Kartner.
In interviews vertelt de oppersmurf maar al te graag dat hij zo gewoon is gebleven en dat hij op liedjes schrijven na niet veel kan. Om daar dan vervolgens aan toe te voegen dat hij in Mexico een held is, met 'Padre Padre!' wordt toegejuicht en dat hij, als hij dat wilde, een eigen kerk in Mexico had kunnen krijgen. Men was idolaat van de bebrilde en bebaarde vandaal die 'Lalalalalalalalalala' of terwijl het Smurfenlied, in ons collectief geheugen heeft gebrand. In een ander artikel vergeleek hij zich met Haydn. Niet met Barry Haydn de garagemonteur. Ook niet met Bob (zeg maar Bobby) Haydn van autosloperij Bob's Wieldop maar met de componist Joseph Haydn. Dat was die componist die wel briljant was maar net niet briljant genoeg om 'Het Kleine Café aan de haven' te componeren. Om nog maar te zwijgen over poëzie met een hoofdletter P als: 'Kunnen jullie door een waterkraan? Ja wij kunnen door een waterkraan'.
Tja, die Pierre. Een miskend talent. Maar gelukkig mag hij nu revanche nemen door het songfestival te winnen met het briljante lied: 'Ik ben verliefd Shalali'.
En toch, ondanks dat onmetelijk talent, zijn vriendelijke glimlach, zijn zachte zoete stem en dito accent krijg ik bij El Padre Abraham toch een hele vieze smaak in mijn mond. De smaak van plastic. Van nep. Van valse bescheidenheid. Van lange baardharen. Van muffe bolhoedjes en tot slot de vieze smaak van kleine blauwe mannetjes die zich net door een hele smerige waterkraan hebben gewerkt.

woensdag 20 januari 2010

Haïti

Gisteren riep 's lands populistische moraalridder, Albert Verlinde, al op om kritisch na te denken over het al dan niet doneren op giro 555 voor de slachtoffers van de aardbeving in Haïti.
Vandaag blijkt uit een enquête van Een Vandaag dat veel meer Nederlanders twijfelen over hun donatie aan de Samenwerkende Hulporganisaties.
Een veelgehoord argument is dat er teveel geld 'aan de strijkstok' zou blijven hangen. Een ander argument is dat de top van deze organisaties teveel zou verdienen.
Pas als men zeker weet dat het geld terecht komt in het rampgebied wil men storten.
Ik zou het willen omdraaien. Als je bang bent dat de helft van het geld niet aankomt, stort dan het dubbele.
We leven immers nog steeds in een van de rijkste landen ter wereld. Als er van de twintig Euro die je overmaakt tien Euro terecht komen op het armste land van ons halfrond kan dat het verschil maken. Als de huizen zijn herbouwd en de doden zijn begraven beginnen we wel eens over salarissen van de topmensen binnen de verschillende organisaties te spreken. En daarna misschien ook eens over het salaris van Albert Verlinde die met zijn jaarinkomen waarschijnlijk een hele straat in Port-au-Prince kan laten bouwen.
Ik ben het overigens wel met Albert Verlinde eens als hij het heeft over kritisch nadenken. Maar ik zou willen adviseren om gewoon geld over te maken op giro 555 om vervolgens heel kritisch na te denken of je vanavond RTL Boulevard aanzet.

woensdag 6 januari 2010

zondag 3 januari 2010

Martin Brozius leeft!

Martin Brozius leeft. Dit in tegenstelling tot eerdere berichten over zijn overlijden in maart 2009. Hij leeft dus. En hoe! Sinds hij uit de schijnwerpers is gestapt speelt hij de rol van zijn leven in Brasserie Au Rond Point tegenover de beroemde Parijse begraafplaats Père Lachaise.
Martin speelt hier op uiterst overtuigende wijze de rol van een zeldzaam chagrijnige ober die met een door de drank gehavend gelaat de toeristen toeblaft. Met een zwierige zwaai worden de drankjes op tafel gekwakt. Niet het bestelde drankje maar iets anders natuurlijk. Geen probleem voor Martin. Als je er op een vriendelijke manier iets van zegt wordt het zojuist neergeworpen kopje hete chocola met een nukkige blik weer op het asgrauwe dienblad gezet en komt Martin even later met het bestelde flesje cola dat hij met niet minder enthousiasme voor je op tafel pleurt.
Hij lijkt te figureren in een episode van Fawlty Towers ware het niet dat deze serie bol stond van de comedy. Bij Martin is de comedy ver te zoeken. Zijn laatste glimlach brak waarschijnlijk decennia geleden door zijn vlassige snor.
Terwijl ik de brasserie uitliep keek ik Martin nog even aan. Mijn blik viel op zijn ooit zwarte broek die nu vol zat met dubieuze witte en lichtgrijze sporen. Ik wandelde de straat op en stak over om de begraafplaats te bezoeken en vroeg me af hoe lang deze eeuwigheid voor Martin nog zou moeten duren.

dinsdag 15 december 2009

Twin Peakscafé

Afgelopen zondag belandde ik na een kille fietstocht door het 14e en 15e arrondissement van Parijs in een café dat naadloos leek te passen in de entourage van de mysterieuze serie Twin Peaks. De bar, Harmony Café aan de Boulevard Port Royal, zag er op het oog uit als een doodnormale tent. Maar toen ik binnenkwam waande ik me in een surrealistisch decor waarin ik een figurant speelde tussen een aantal professionele acteurs.
Achter de bar stond een kleine man. Geen dwerg maar ook geen man van een volwassen lengte. Misschien valt zijn lengte en postuur in een categorie die nog niet bestaat of tenminste nog niet benoemd is. De man was tenger en droeg naast een foeilelijk gilet met achterop de naam van de bar een ronde strohoed. Bij hem bestelde ik een koffie. Hij liet de automaat het werk doen en verdween naar een tafel in de hoek waar de rest van het personeel zat te eten. Op zich niet zo verwonderlijk omdat ik vlak voor lunchtijd binnenstapte. Mijn koffie werd geserveerd door een slanke vrouw met kort haar. Ze droeg het soort kapsel dat midden jaren tachtig heel hip was maar sinds die tijd hopeloos gedateerd. Verder was ze gekleed in een hemd en spijkerbroek. Mijn koffie smaakte goed. De vrouw verdween achter de bar en kwam even later terug. Ze had een paarse coltrui aangedaan. Verstandig, dacht ik bij mezelf want het was fris buiten. Toen ik links van de bar keek zag ik de vrouw weer in haar hemd staan. Ze zei tegen niemand in het bijzonder: 'Hij denkt dat hij dubbelziet'. Ik kon het alleen maar beamen en vroeg in mijn beste Frans of de dames tweelingen waren. 'Mais bien sur', was het korte antwoord. Beide zussen bleken getooid te zijn met het hopeloos gedateerde kapsel.
Achter de bar kirde een hond die ik niet kon zien.
Overal stonden de lelijkste kerstmannen en de zaak was bedolven onder de treurigste kerstversiering.
Ik rekende af en hoefde slechts een Euro te betalen.
'C'est pas cher hein?
'Non, pas du tout.'
Toen ik het café verliet door een van de twee uitgangen klonk er het gefluit van een bouwvakker die een vrouw in minirok nafluit.
Ik lachte beleefd en keek het café in.
De Twin Peakskarakters zag ik al niet meer toen ik me besefte dat het gefluit van de bouwvakker elke keer klonk als de deur open en dicht ging.
In plaats van de gebruikelijke 'ding dong' had een bouwvakker waarschijnlijk een halve ochtend in een studio gestaan om het deuntje in te fluiten.
Met mijn handen diep weggestopt in mijn jaszakken liep ik het koude Parijs weer in op weg naar het Grote Wonder en de eigenlijke reden van mijn bezoek aan de stad.
De geboorte van mijn neefje en nichtje in de schaduw van de goud verlichte Eifeltoren.

woensdag 11 november 2009

Mart Smeets

We stonden samen op het station te wachten op de trein van half tien. Nee, dat is niet waar. Althans, niet helemaal. We stonden daar tussen honderden forensen die allemaal met dezelfde trein van half tien mee moesten. Maar mijn aandacht was maar bij een man. Mart Smeets. Mastodont. In een perfecte wereld zou Mart Smeets een anagram zijn van het woord mastodont maar de wereld is niet perfect. Al van ver zag ik Mart Smeets het perron op komen lopen. Hij droeg een lange okerkleurige jas met een roomwitte shawl. Zijn jas hing open waardoor een keurig roze overhemd met witte streep zichtbaar was. Mart Smeets heeft ooit eens gezegd dat veel in Nederland grijs is. Hij houdt niet van grijs. Grijs is het midden en dus het niets en daar houdt Mart Smeets niet van. Gelukkig begint zijn grijze haar snel witter te worden.
Mart Smeets kwam het perron op lopen en werd aangesproken door een onbekende vrouw. Hij nam even de tijd om een vriendelijk praatje met haar te maken. Mart Smeets leek in niets op de chagrijnige en arrogante man die hij laat zien als hij wordt geïnterviewd. Nadat Mart Smeets beleefd een einde had gemaakt aan de conversatie met de vrouw liep hij verder het perron op en kwam pal achter mij staan.
Ik bedacht me dat, op een enkeling na, iedereen op het perron Mart Smeets zou herkennen. Ook iedereen in de trein herkent een ieder Mart Smeets. Mart Smeets wordt herkend van Amsterdam tot aan Maastricht en van Texel tot aan Tholen. Mart Smeets is dus altijd Mart Smeets en toen ik me dat realiseerde kreeg ik het met hem te doen. Anonimiteit is iets dat hij buiten de landsgrenzen moet zoeken maar, reislustig als wij Nederlanders zijn, wordt Mart Smeets waarschijnlijk overal herkend. Als hij sterft krijgt hij wat journalisten een 101 tje noemen; een vermelding op pagina 101 van Teletekst en waarschijnlijk ook nog eens in capitalen.
Mart Smeets kan de lamp nooit even uitzetten die op hem gericht staat. Altijd maar Mart Smeets. Met een opgelucht gevoel stapte ik, volkomen anoniem, de trein in.

zondag 1 november 2009

Spiegelvlieg

Sinds anderhalve week wordt mijn badkamer bewoond door een bijzonder eigenaardig diertje. Het is een soort vliegje met vier doorzichtige vleugels. Onlangs trof ik het diertje trillend op de douchevloer aan terwijl de spetters als grote skippyballen op hem neerdaalden. Als rechtgeaarde dierenvriend, die overigens maar al te graag vlees en ook vis eet, pakte ik het beestje op en plaatste hem op het plankje onder de spiegel dat dienst doet als verzamelplek voor diverse snuisterijen als parfum, tandpasta en deodorant. Naast de hiervoor genoemde rekwisieten op het plankje staat er ook een fles bodylotion met een spiegelende dop. Zonder dat ik er erg in had is het diertje begonnen aan de beklimming van de fles lotion om zich vervolgens tegen de dop aan te nestelen. Een dag later zat ie er nog. Twee dagen later ook. Ik nam aan dat mijn vliegje dood was om in ieder geval in een soort coma was geraakt. Toen ik hem voorzichtig aanraakte bewogen de vleugels en het gelige lijfje. De vlieg had al twee dagen in de dop van de fles naar zichzelf zitten staren dus ik vermoedde dat hij wel eens behoefte zou kunnen hebben aan een ander uitzicht. Voorzichtig tilde ik het beestje op en plaatste het ergens anders in de badkamer.
Toen ik 's avonds thuiskwam en de badkamer binnenliep zat de vlieg weer op de dop. Kennelijk vond hij zichzelf zo bijzonder dat hij er maar geen genoeg van kon krijgen. Als een Midas Dekkers die op het punt staat een belangrijke ontdekking te doen verplaatste ik de vlieg weer maar toen ik in de avond weer in de badkamer kwam zat hij weer op zijn vaste stek, midden op de dop naar zichzelf te staren in het spiegelende vlak. Voor even voelde het alsof ik een belangrijke biologische ontdekking had gedaan.
En passant heb ik ook maar meteen een passende naam gevonden voor dit fenomeen: Insecta Narcissum.